VERHALEN ALS REIZIGER

Wat je op reis al niet kunt meemaken.

 

Nepal: De pastoor en de fietstaxi.

 

(Vervolg van Het hotel van de koning en de aap)

 

Bhatgaon is een stad niet ver van Kathmandu.
Het is in de loop der jaren het centrum van toerisme geworden. In een woord fantastisch wat ons daar voor de ogen werd getoverd.
Het middelpunt vormt de Durbar, het oude koninklijk paleis. Dit geheel in rood uitgevoerde bouwwerk heeft grote architechnische waarde. Vele jaren was het de verblijfplaats van de vorsen. Koning Mahendra verkoos een rustiger oord...
Op het Dunbar plein voor het paleis staat een zuil van enkele meters hoog. Op de top daarvan zit de koning die het paleis liet bouwen in mediterende houding. Het beeld is uitgevoerd in brons en koper. Naast het palies staat de toegangspoort, versierd met beeldhouwwerk in brons en een dak van blinkend koperwerk. Een van de grote bezienswaardigheden van Nepal.

Toen wij twee in volle bewondering bij de zuil stonden te kijken arriveerde een autobus met toeristen uit Kathmandu.
Het was een gezelschap Argentijnen en Brazilianen. Ze waren op een congres in India geweest. In een ogenblik wist de luidruchtige troep de rust op het plein compleet te verstoren.
Er was een Fransman bij. Een oude heer van bij de tachtig jaar. Aan zijn stijve ronde witte boord zag ik dat het een priester was. Hij werkte zich even later los uit het kakelend stel en kwam naar ons toe. Blijkbaar zag hij ons voor 'nette mensen' aan. Hij had genoeg van dat luidruchtige stel.
Met een 'Bonjour monsieur, dame,' en een handdruk begroette hij ons. Hij had gezien dat wij 'noorderlingen' waren.
Nu ben ik als kind enkele jaren op een Franse school geweest en daar heb ik nog een aardig woordje in die taal van overgehouden. Wij werden in korte tijd ondanks ons leeftijdsverschil goede vrienden.

Toen een Argentijnse kinderarts hem plagend aan zijn jas trok en hem, wijzend op een erotische voorstelling boven de deur van een oude woning, uitriep: 'Look at that father, did you ever see that?' schudde hij de hand van zich af en zei boos: 'Salaud'! Daarmee verbrak hij meteen de relatie met zijn busgenoten. Hij sloot zich bij ons aan.
Toen wij later terugkeerden naar Kathmandu vroeg hij ons om mee te gaan naar zijn hotel om een kop koffie met hem te drinken.
Dat hotel was niet veel beter dan dat waar wij de eerste dag waren terechtgekomen. Hij verontschuldigde zich dat hij ons niets beters kon aanbieden. Hij had niet veel geld ter beschikking. Hij had behoorlijk krom moeten liggen om zijn reis naar Nepal te kunnen betalen.
Op het kleine terras voor het hotel vertelde hij van zijn leven.

Hij was pastoor geweest in een dorp in Frankrijk. Maar de gebondenheid aan de kleine gemeenschap had hem niet kunnen bevredigen. Hij had altijd gedroomd van verre reizen.
Toen stierf een oom van hem. De erfenis opende voor hem de wereld. Hij was de enige erfgenaam.
Hij nam contact op met het Aardrijkskundig Genootschap van Frankrijk. Het afscheid van zijn parochie en zijn superieuren was hem niet moeilijk gevallen. Het Aardrijkskundig Genootschap kreeg een enthousiaste medewerker erbij.
Daarna had hij de hele wereld afgereisd. Hoe woester die wereld was, hoe mooier hij het daar had gevonden. Hij was in de Andes geweest, in China, in Nieuw Zeeland, en op vele andere plaatsen.
Maar het mooiste van al deze plaatsen had hij toch Nagarkot gevonden, in Nepal. De zonsondergang over de Himalaya vanuit die plaats was hem altijd bijgebleven. En nu, aan het einde van zijn leven, had hij nog één wens gehad. En dat was om nog één keer Nagarkot te bezoeken. Nog één keer het 'alpenglühen' te zien over de Himalaya.

Het was dertig jaar geleden dat hij daar gestaan had na een lange reis door China en Tibet. Een reis met veel ontberingen. Maar nu zou het ervan komen, waar hij zo lang over had gedroomd. Voor overmorgen had hij een auto met chauffeur besteld om hem naar de bergen te brengen.
Hij nodigde ons uit om mee te gaan. Er was plaats genoeg in de wagen. Hij kon ons in ons hotel komen afhalen.
Wij wilden heel graag op de uitnodiging ingaan, maar overmorgen was ook om tien uur 's avonds de receptie van de koning in ons hotel.
Helemaal geen bezwaar vond hij. Om tien uur zouden wij allang terug zijn. We zouden immers alleen maar de zonsondergang zien en dan omkeren.
Dat argument gaf de doorslag. We accepteerden, op voorwaarde dat wij ons deel zouden bijdragen aan de auto.
Met het blijde vooruitzicht op de tocht die de pastoor beschreven had, namen wij afscheid.

Het begon al donker te worden toen wij de straat opgingen. Het was prachtig herfstweer. Geen wind. Heerlijk koel. Waarom zouden wij niet nar het hotel terug gaan lopen? Het kon niet ver weg zijn. Wij hadden er die morgen met de taxi hoogstens een kwartier over gedaan.
Het bleek toch verder te zijn dan wij hadden gedacht. Of was het misschien de onbekendheid met de omgeving of het feit dat het al aardig donker begon te worden?
We waren al buiten de stad. Daar kwamen we langs een huisje op een klein erf. Tegen de witte muren hingen enkele ronde dikke koeken van koemest te drogen.
Op het erf zagen wij een fiets-taxi staan. Zoiets als een betja uit Indonesië. Een driewieler fiets.
Hoe hadden wij kunnen vermoeden dat die fiets thans, dertig jaar later, nog in ons geheugen zou staan gegrift?

Door de open deur zagen wij een vrouw. bij een vuurtje zitten. Boven het vuurtje hing een kookketeltje.
'Laten wij eens vragen of er niemand is die ons met zo'n fiets naar het hotel kan brengen,' opperde mijn vrouw.
Gezien de invallende duisternis vond ik dat geen gek idee. Ik wenkde de vrouw terwijl ik op de fiets wees. Ze riep iets tegen iemand die ik niet zien kon.
Even later kwam een magere man in de deuropening. Hij geeuwde nog van de slaap. Ik beduidde hem dat wij met zijn fiets een rit wilden maken. Hij verdween naar binnen om even later voorzien van een schoon hemd naar buiten te komen.
Nu ben ik al vaak genoeg door taxichauffeurs en rickshawtrekkers beduveld geworden, doordat ze je langs omwegen naar het opgegeven adres brengen om zo meer te kunnen rekenen. Daarom beduidde ik hem dat wij rechtstreeks naar het horel wilden. 'Straight to hotel and no zig-zag'. Een opdracht die ik extra verduidelijkte door mijn hand heen en weer te bewegen.
Hij herhaalde: 'Yes sir. Straight to hotel.'

Hij reed de fiets de straat op. We konden opstappen.
Het was heerlijk om over de asfaltweg te rijden. De stilte om ons heen. De rustig trappende fietser voor ons. Wij links en rechts achter hem. Hij neuriede zachtjes een eentonige Nepalese melodie.
Lang heeft die idylle niet geduurd. Misschien 2-300 meter. Toen boog de grote weg naar links. Maar wij fietsten rechtdoor, een smalle veldweg op. We werden heen en weer gerukt over de oneffenheden. Onder ons kraakten de versleten veren. Dat was te verwachten want de fiets was verre van nieuw. Maar dat was pas het begin van de ellende.
De weg begon te stijgen. Voor ons lag een heuvel. De man ging op zijn pedalen staan om uit alle macht te kunnen trappen. De ketting begon gevaarlijk te kraken. De man begon te hijgen.
Ik dacht: Wat gek! Toen wij 's morgens van het hotel kwamen had ik van een stijging niets gemerkt... Was dit ook weer zo'n 'tourist-trap', misschien?
De snelheid werd behoorlijk minder. Als wij voor een hobbel kwamen stonden wij bijna stil. Bij iedere trap werd het hijgen voor ons erger.
De weg ging nog steiler omhoog. De man trapte uit alle macht. Hij kreunde erbij. Het drong tot mij door dat deze man asthma had.
Wij stonden nu praktisch stil.

Ik kon het niet meer aanzien. Altijd heb ik al medelijden gehad met asthma-lijders. Er zat niets anders op dan hem een beetje te helpen.
Ik sprong van de fiets. Drukkend met een schouder tegen de rugleuning voelde dat er weer beweging in kwam. De top van de heuvel was nu niet ver meer. Misschien veertig meter. Maar toen stond de fiets stil in een oneffenheid.
Ook mijn vrouw werd bevangen door medelijden. Ook zij stapte af. 'Ik zal ook maar even helpen,' zei ze, terwijl ze met beide handen tegen de rugleuning begon te drukken.
Met het gewicht van mijn vrouw minder en ons beider inspanning erbij, schoot de fiets naar boven.
Hè, hè! We waren op de heuvel. Bek af! Alle drie. We hadden even tijd nodig om bij te komen.
Onze trekker stond voorovergebogen, de handen op zijn knieën steunend. Het kreunen, hijgen en piepen werd minder. Ik dacht dat wij nu weer konden opstappen om de rit voort te zetten, maar de man hield ons tegen.

Hij wees ons naar de rand van de heuvel, waar een groot dak zichtbaar was van een gebouw dat vrijwel tegen de heuvel was aangebouwd. Het dak lag vlak bij ons. Iets lager dan waar wij stonden.
'This is hotel, sir! Very near. You go down steps.'
Hij wees ons de trappen, die van de top van de heuvel achter het hotel uitkwamen. Er waren zeker 50 treden.
Wij stonden stomverbaasd te kijken. Ik stond op het punt om kwaad te worden. Waren wij nu toch nog bedrogen uitgekomen? Had ik daarvoor een taxifiets genomen, alleen maar om het vehikel met zijn drieën naar boven te douwen?
Hij zag mijn verbazing en zei, nog hijgend naar adem: 'You say: straight to hotel, sir. I do straight.'
Toen begreep ik de situatie. De grote weg van het hotel naar de stad liep om de heuvel heen. Hij had de kortste weg recht de heuvel op genomen. Volkomen eerlijk.
Ik gaf hem een dollar.

Het was nu al aardig donker geworden. Maar we konden toch nog zien hoe zij zonder moeite, 'free wheelend', de heuvel afreed, op weg naar zijn vrouw die nu het avondeten wel klaar zou hebben in die pot boven het vuurtje van koemest.
Wij daalden de trappen af. Ze kwamen uit achter de keuken, waar de Franse koks voorzien van witte schorten en hoge gesteven mutsen bezig waren aan het diner.
De heerlijke geur van 'croquettes', die voor die dag op het menu stonden, kwam onze hongerige magen al tegemoet.

 

J.H. Frenken

 

Naar het vervolg...