Beelden uit mijn kinderjaren

trekken aan mijn oog voorbij

ONS DORP

 

Organisatorisch gezien was ons dorp eigenlijk een dorp van niks.

Er was een pastoor als vertegenwoordiger van het kerkelijk gezag.
Dat gaf geen moeilijkheden want er woonden alleen maar katholieken, behalve een algemeen geëerd joods gezin.
De pastoors die ik heb gekend bemoeiden zich of overal of nergens mee.

De burgemeester werd gedeeld met een andere gemeente en twee gehuchten.
Op de dag dat hij werd "ingehaald" kreeg hij een ambtsketting en de dorpelingen een ton bier. Als vroegere dorpsjongen had hij het wel eens moeilijk om met iedereen bevriend te blijven. Dat bleek later bij de uitdeling van het Wilson-spek.

Verder had je nog de gemeentesecretaris. Hij was de enige die in functie een klein zwart omrand brilletje droeg. Behalve het inschrijven van de pasgeborenen en het uitschrijven van de overledenen, verzorgde hij in zijn kleine boerderij, die tegen de dijk was aangebouwd, zijn koeien.

Er was ook een veldwachter, al of niet in uniform. Die wandelde meestal naast zijn fiets door het dorp of fietste wat in de omgeving. Hij vermeed zorgvuldig elk conflict.
Het gebeurde nogal eens dat de veldwachter werd overgeplaatst, niet zozeer omdat hij zijn dienst niet goed uitvoerde, maar omdat hij teveel achter de rokken aanzat. En dat namen de boeren niet.

We hebben ook eens een veldwachter gehad die het dorp helemaal uit het Noorden op het dak was gestuurd. Het was een mager mannetje. Zeker te mager voor deze functie.
Maar zijn vrouw mocht er zijn. Ze was een kop groter dan hij en vuurrood van haar. In omvang was ze drie keer zo dik als hij.
Zij heette An.

Zijn gezagspositie zou hij hebben kunnen behouden als enkele kinderen op die zondagmorgen niet door de op een kier openstaande deur in zijn slaapkamer hadden kunnen gluren.

Daar stond zij in haar witte onderrok, het corset al losjes aangetrokken, terwijl de "nistels" tot op de grond hingen. Ze had geroepen: "Bram...trek an..." Toen was haar man te hulp geschoten.
Bram had een kousevoet in haar rug gezet. Hij trok zo hard dat de snoeren braken en hij tegen de deur bonsde.
Het verhaal ging als een vuurtje door het dorp.

De zondag daarop stond hij onder de mis naast de wijwaterbak achter in de kerk. Vandaar kon hij de opgeschoten jongens, die de mis staande verkozen bij te wonen, beter in de gaten houden.
Op het moment dat het doodstil was, vlak voor het Ite Misa Est, riep een van die knullen: "Bram...trek an".
Grote consternatie natuurlijk.

Sindsdien heette zijn vrouw "Trek An" en hij was "Bram van Trek An".
Hij had voorgoed zijn gezicht verloren.
Zelf zag hij in dat hij beter overplaatsing kon vragen.

 

De vroedvrouw was na de burgemeester en de pastoor de voornaamste persoonlijkheid in ons dorp. Ze verzorgde de bevallingen van meerdere dorpen in de omgeving.

Het was een statige vrouw. Altijd in een lange zwarte jurk die tot aan de schoenen reikte. Altijd een hoge kraag aan haar strakke corsage.
Altijd was ze serieus. Ik heb haar nooit echt horen of zien lachen.

In mijn herinnering zie ik haar op haar Belgische fiets. Het zwartgele netje om de bovenkant van het achterwiel en de gebreide zwarte zak aan het stuur.
Daarin bengelden de verlostangen.
Ze fietste altijd gestadig door. Zelfs als de honden achter haar aanzaten.

Als wij uit school kwamen roken we al waar ze weer een kindje hadden gekregen.
Daar kwam de lucht van carbol je al tegen op straat.
Voor die vrouw heb ik altijd een grote bewondering gehad.

 

Omdat de dichtstbijzijnde dokter nog tien kilometer bij ons vandaan woonde, hielp ze ook bij ongevallen. Ook bij zieken werd vaak eerst de vroedvrouw geroepen.
In echte noodgevallen kwam de dokter zelf, maar het duurde een uur voor hij eindelijk kwam voorrijden.

De vroedvrouw kwam altijd als ze geroepen werd. Bij dag, bij nacht, bij ontij.
Hoe vaak heb ik haar niet tegen wind en regen op zien worstelen. Hoe vaak fietste ze niet helemaal alleen in de donkere nacht over slechte, verlaten veldwegen achter het zwakke licht aan van de bibberende carbidlamp.
En altijd maar door werken sinds ze als jong meisje vol idealen van de vroedvrouwen school kwam. Vakantie had ze alleen als ze zelf moest bevallen.

Als de vroedvrouw niet kon komen werd Fieke erbij gehaald. Zij was geen vroedvrouw, maar ze had jarenlang de bevallingen gedaan in de tijd dat er nog geen echte vroedvrouw in de omgeving aanwezig was.
Ze had het vak geleerd van Bet, een oude vrouw, die op haar beurt de ervaring had doorgekregen van haar voorgangster.
Mogelijk ben ik zelf nog door Fieke gehaald.

 

Een heel belangrijke figuur in ons dorp was Neel, de facteur. Hij bracht de brieven rond. Hij behoorde tot de mensen die onze achting verdienden.
Daarom werd hij ook met "geer" aangesproken. Dat "geer"(gij) was anders gereserveerd voor pastoor, de burgemeester, de onderwijzer, de veldwachter, vader en moeder. Met "geer" werden door veel vrouwen ook hun echtgenoten aangesproken. Er klonk extra respect uit.
De vrouwen keken toen nog op tegen de heer des huizes.

Neel wist alle nieuwtjes. Als het heel belangrijk was bracht hij ze rond van huis tot huis.
Maar ook van het wel en wee van ieder huisgezin afzonderlijk was hij goed op de hoogte. Dat kwam omdat hij alle post- en briefkaarten uit de eerste hand te lezen kreeg. Dat was zijn goed recht als postbode. Dat recht had hij overgenomen van zijn hulpvaardige voorgangers uit de tijd dat nog heel wat mensen in ons dorp niet lezen of schrijven konden.

Maar niet alleen de briefkaarten werden gelezen. Sommigen beweerden dat hij ook de brieven aan een onderzoek onderwierp als dat zo uitkwam.
Toen hij later aan mijn verloofde een gesloten brief van mij overhandigde met het bericht dat ik eind van de week verlof kreeg uit militaire dienst en haar op kwam zoeken, knipoogde hij tegen haar en zei: "Hae kump taengene zunjig".( Hij komt zondag.) Helderziendheid van de bovenste plank.

Mijn vader schreef eens een brief aan de Provinciale Staten.
Een hele bedoening.
Terwijl hij daarmee peinzend bezig was vroeg hij mij om de brief straks voor hem te posten. Kort daarna werd hij weggeroepen.
Ik zag even later de brief liggen. Ik stopte hem in de klaarliggende enveloppe. Daarna bracht ik hem naar de bus. Die werd even later gelicht. Toen mijn vader later op de dag terugkwam kreeg ik de volle laag. "Verdomme", zei hij, "Has te neet konne wachte mit dae breef. Hae woar noch neet aaf!"

Ik adviseerde mijn vader om de tweede helft te schrijven en die apart te versturen. Er zat niets anders op.
Die tweede helft ging in een aparte enveloppe. Ik bracht haar naar het postkantoor, waar Neel bezig was met sorteren.

Ik vertelde hem wat er gebeurd was.
"Hjaelemaol neet erg", zei Neel. "Ich maak deze breef ope en dan doon ich em bie den angere. Dat kump allemoal in orde".
Zo was Neel. Altijd behulpzaam. Al was het soms van de wal in de sloot.

Mijn vader heeft nooit antwoord op die tweedelige brief gehad.
Ik weet nog goed wat er in die brief stond. Wie vande oude dorpelingen zou nog weten aan welke vernedering onze idyllische dorpen toen zijn ontkomen.
Kort tevoren hadden wij een schrijven gekregen van hoger hand waarop snel moest worden gereageerd. Het was enkele jaren voordat het graven van het Julianakanaal doorgang had gevonden. Ook de mijn Maurits was er nog niet. Er waren nog geen autobussen op de weg. Het enige personen vervoer naar de buitenwereld gebeurde per fiest of met de postkoets.

En toen plosteling zouden de idyllische dorpen langs de Maas ineens uit hun vergetelheid worden gehaald door een afschuwelijke stoomtram.
De rails zouden worden gelegd vlak naast de provinciale weg van Sittard naar Born, dan naar Grevenbicht en dan dwars door de velden en de steengroeve en dan naar Berg. Daarna langs de Bergerweg naar Einighausen en naar Sittard.
De tram zou bij ons huis de Bornerweg oversteken. Mijn vader moest een prijs opgeven voor de onteigening.

Maar mijn vader was niet voor het plan. Stel je voor. Zo'n dampende, stinkende, rammelende stoomtram vlak langs de ramen van ons huis. Hij gaf zijn bezwaren te kennen in het eerste deel van de brief.
In het tweede deel gaf hij een prijs op die zo hoog was dat ze er zeker zonder moeilijkheden niet aan zouden beginnen.

De tram is er niet gekomen.
Ik weet het niet zeker, maar ik geloof toch dat wij mijn vader dankbaar moeten zijn dat die lelijke stoomtram door ons mooie Limburgs landschap er niet is gekomen.
Daar hadden ze ons mooi mee willen opschepen.

Neel droeg een zware leren brieventas over de schouder. Het was niet eenvoudig om daarmee op de fiets te stappen. Daarom duwde hij lopend de fiets door het dorp. Als de hele buurt was afgewerkt stapte hij op geniale wijze op zijn vervoermiddel.

Hij ging helemaal achter zijn fiets staan met beide handen en armen uitgestrekt naar het stuur. Zijn linkervoet zette hij op het "pinke", het metalen verlengstuk aan de schroef van de achteras.
Dan duwde hij zich vooruit met de punt van zijn rechtervoet om wat vaart te krijgen. "tip, tip, tip".
Na de derde "tip" strekte hij plotseling het linker been waardoor hij rechtop hoog op het "pinke" kwam te staan.

Met de andere voet ving hij dan de opkomende pedaal van zijn doortrapper op en liet zich op het zadel zakken. Het was een kunststuk uit de eerste hand. Nooit heb ik meer iemand deze stunt zien opvoeren.
Zelfs de honden waren daarin geïnteresseerd. Ze liepen blaffend en soms happend achter hem aan. Dat kon hem weinig schelen, want hij droeg toch leren camachen (beenkappen) over zijn broek.

 

Door
Inhoudsopgave