VERHALEN ALS KRIJGSGEVANGENE

Kamp Schoorl

 

In mei 1940 hadden de Duitsers ons land overrompeld. Ze hadden de vliegvelden bezet. Ze hadden ons land voorlopig achtergelaten met een totaal vernield Rotterdam, een aantal kapotte bruggen en een leger dat in zijn geheel aan huis tot krijgsgevangenschap was veroordeeld.

Ik was daar ook bij. Ik mocht wel gaan waar ik wilde met een pasje waarop stond dat ik fruitteler was. Dat had de gemeentesecretaris voor mij klaargemaakt.

Ik had besloten om mijn studie in de medicijnen zo spoedig mogelijk af te maken. Daarom had ik met twee vrienden samen een kamer gehuurd op de Prinsengracht. Elke vrijdag ging ik met de trein naar Limburg en bleef tot maandag of dinsdag bij mijn vrouw en kinderen. De moeilijkheid was om in Amsterdam te komen. Soms ging ik liftend met een of andere vrachtauto. Als je eenmaal in Nijmegen was trof je vaker chauffeurs aan die je tegen een goede fooi wilden meenemen.

De Duitsers lieten ons met rust. Het eerste bevel dat van de Duitsers kwam was om alle wapens in te leveren. Ik had nog een kapotte revolver. De loop zat los. Rechtuit schieten was onmogelijk. Omdat het ding toch niet meer te gebruiken was, besloot ik er mij van te ontdoen. Ook van de twaalf kogels die erbij waren. Ik wilde hem niet inleveren aan de Duitsers, maar zocht een manier om hem op een of andere manier kwijt te raken. Bijvoorbeeld door hem in het water te gooien van de kasteelvijvers.

Ik ging daar bijna elke dag wandelen met een van de kinderen. Aan de achteringang van het kasteel stonden twee prachtige eeuwenoude kastanjebomen. Ik had de kleine van drie jaar wijsgemaakt dat daar de kabouters woonden. Als ik erlangs kwam trapte ik zachtjes tegen de bomen opdat de kabouters eruit zouden komen. Ze kwamen niet, maar dit was altijd een spannend moment voor de kleine.

Het hek stond open. Het was vervallen, scheef, roestig. De enige bewoonster van het kasteel was een oude vrouw, een boerin wier man kort geleden was gestorven. Alles werd verwaarloosd.

Wij wandelden langs de mooie kasteelvijver waarin veel waterplanten groeiden. Daar gooide ik de revolver tussen de waterlelies. Zo! Daar konden ze me niet meer voor oppakken.

We wandelden met z'n beiden al kwebbelend door de oude steeg naar ons huis in de dorpsstraat. Daar zag ik voor ons huis tot mijn grote schrik een Duitse auto staan. Plotseling herinnerde ik mij dat ik nog twaalf kogels in mijn zak had, maar ik kon niet terug. Ik had de deurklink al in mijn handen.

Twee Duitsers stonden klaar om mij mee te nemen naar Maastricht, zogenaamd omdat ze mij iets wilden vragen.

Mijn vrouw huilde. "Maar waarom moet hij mee, hij heeft toch niets gedaan," snikte ze. "Mevrouw," zei een van de Duitsers die wat Hollands sprak, "wij brengen hem straks terug, wij nemen hem maar heel even mee." Zij was er niet gerust op. Ik mocht haar nog even gedag zeggen. Dat was alles.

In volle vaart reden we naar Maastricht, naar het politiebureau.

Onderweg probeerde ik een van de kogels tussen de kussens van de zitbank te duwen. Maar die slimmerik had het door. Hij zei: "Ruhig sitzen bleiben!" Ik bleef stil zitten, ik wachtte maar af.

De Duitser zei in het Hollands met een zwaar Duits accent tegen de dienstdoende agent van politie: "Geef hem een cel, we komen hem morgenvroeg halen."

"Und fouillieren, alle taschen!" zei de andere Duitser tegen de agent. Daarop verdwenen zij beiden weer in de auto die voor de deur stond. De agent stak zijn handen in mijn zak en kwam tevoorschijn met twaalf kogels. Hij bekeek ze op zijn hand. Ik voelde dat ik bleek werd. Toen deed de man de la van zijn bureautafel open en liet de kogels erin vallen. Hij zei met een knipoog: "Die zullen we voor je bewaren tot de oorlog voorbij is."

Ik wist niet wat ik hoorde. Ik had me al voor het vuurpeloton zien staan. Heel vriendelijk bracht de agent me naar mijn cel. Hij verontschuldigde zich dat er geen eten meer was. Het was te laat.

De volgende dag reden ze mij naar Schoorl. Daar lag een splinternieuw kamp. Daar had nog geen enkele gevangene in gezeten. En laat ik nu de eerste gevangene van Schoorl zijn geweest!

Ik werd ontvangen door twee Duitsers. Maar daar was ik niet in geïnteresseerd. Achter de Duitsers stond een grote, nogal dikke man, die meer leek op een kroegbaas. Hij kwam met een uitgestrekte hand naar mij toe en zei: "Welkom in dit paradijs."

Hij zei nog: "Ik ben de kok, en jij bent mijn eerste klant. Daarom wil ik je wat aanraden. Je zult hier wel een tijdje bij ons blijven en dan kun je het beste in de keuken bij mij komen werken. Hier in de keuken valt altijd wat te bikken. Kom mee, dan zal ik je mijn keuken laten zien."

Ik kreeg een schort voor en was al geïnstalleerd voor ik het besefte. Ik heb er totaal geen spijt van gehad dat ik bij hem in de keuken kwam te werken. Toen de vele andere opgepakten aankwamen draaide onze keuken al. Op verzoek van de kok haalde ik er nog een paar vrienden van mij bij, die het een welkome afleiding vonden om in de keuken te werken. Vooral soep maken en koteletjes braden! We aten ze al bij het ontbijt, die koteletjes. Wij het keukenpersoneel tenminste. De anderen kregen brood met worst.

Onder leiding van de kok kookten wij lekker. Onze voorraad werd steeds van buiten aangevoerd. Wij kregen veel lekkere hapjes van de bevolking die met ons te doen hadden. Nee, wij leden geen honger in Schoorl. We mochten brieven schrijven zoveel we wilden.

We zaten er al meer dan twee weken toen we nog niet wisten waarvoor we eigenlijk waren gearresteerd. Een hele enkeling werd bij de Gestapo geroepen voor ondervraging, waarvan ook hij weinig begreep.

De keuken lag een beet apart van de andere barakken. Aan de barak van de keuken was geen wc verbonden. Je moest dus altijd naar een van de andere barakken als het nodig was. In een hoek achter onze barak stond een ton. Wij vonden het prettiger om tegen die ton te gaan staan in plaats van helemaal om te lopen. We hadden al bijna drie weken tegen die ton staan plassen, toen de kok tegen ons zei: "Laten we dit weekeind eens zuurkool eten, daar hebben we nog een hele ton van." We durfden eerst niet te vertellen wat wij met die ton hadden uitgevoerd. De kok was niet kwaad. Hij zei alleen: "Dan eten de Duitsers deze week zuurkool uit de ton." Wij aten biefstuk met gebakken aardappelen.

Wie ons zo gehoord en gezien zou hebben zou haast gedacht hebben met een vakantiekamp in plaats van een gevangenenkamp te doen te hebben. Maar in de derde week kwam daar verandering in. We kregen ineens een stel nieuwe gasten erbij. Ze waren pas opgepakt in Amsterdam. Allemaal Joodse mannen. Deze mannen keken allemaal even triest door het drama dat zich onder hun families afspeelde.

Ze werden in aparte barakken ondergebracht, tussen de Joodse behuizing. Tussen de Joodse barakken en de onze werd stevig prikkeldraad aangebracht. Wij kwamen alleen met hun in contact doordat ze aan onze keuken hun eten moesten komen halen. Ze werden niet goed behandeld. Elke dag moesten ze achter mekaar aan hollen voor hun barak tot ze er bijna bij neervielen. Ze werden vaak uitgescholden. Ze vroegen onze kok of die een manier wist om de brieven aan hun families weg te krijgen want de Duitsers lieten van hun geen brieven door. De kok wist raad. Hij stopte de brieven onder het afval van de keuken. En dat werd 's avonds door een vuilniskar opgehaald. Zo kwamen de brieven buiten het kamp.

Wij brachten de tijd door met handballen en andere sporten. 's Avonds moesten wij voor het donker naar bed. Daar werden allerlei oude liedjes en melodietjes opgehaald, soms door alle aanwezigen in het kamp. Een groot succes was het liedje van "Die vijfentwintig gulden."

 

Die vijfentwintig gulden
Waar mogen die wel zijn
Die heeft de oude heer verzopen
Aan jenever, bier en brandewijn.

 

Had hij ze niet verzopen
Aan jenever, bier en brandewijn
Dan konden wij de goede God wel danken
Dat er zoveel lieve meisjes zijn.

 

Die mooie lieve meisjes
Zij gingen met mijn vader mee
En je kunt in honderd jaar niet raden
Wat mijn vader met die meisjes dee

 

Hij nam ze mee naar binnen
Naar binnen in een groot café
Daar zopen al die lieve meisjes
Van die vijfentwintig gulden mee

 

(Hier nog twee regels----
-------)

Toen is hij als een maleier thuis gekomen
En sloeg de hele santekraam kapot

 

Mijn moeder begon te wenen
En noemde mijn vader slecht
Maar met al die bonje en die heibel
Waren die vijfentwintig gulden niet terecht.

 

Die vijfentwintig gulden
Waar zouden die toch zijn
Die heeft de ouwe heer verzopen
Aan jenever, bier en brandewijn.

 

De Duitsers zaten met de Joden in hun maag, of liever met ons, want dat was de bedoeling niet geweest dat de Joden in zo'n mooi nieuw kamp kwamen te zitten.

Langzamerhand vernamen wij uit de brieven van thuis dat de Joden aan een grote vervolging werden onderworpen. Dat bracht een grote domper in de stemming. Die stemming werd nog grimmiger toen de kampcommandant ons kwam vertellen dat verschillende van onze collega's door een militaire rechtbank waren veroordeeld. Ze hadden geprobeerd landingsterreinen uit te zoeken waar de Engelsen zouden kunnen landen indien het plan voor een invasie zou zijn uitgewerkt. De straffen die door de militaire rechtbank werden opgelegd waren niet mis. Enkelen kregen de kogel. Onder hen was Kobus Bogaert.

Ik had met Kobus een bijzondere herinnering, die hem in 1935 bijna het leven kostte. En dat door een domme loop van omstandigheden. Ik had toen kennissen uit Indonesië op bezoek. Ik zou voor hen een nummertje vliegen en stunten weggeven in een Fokker C1 jager. De familie had zich opgesteld voor de hangars. Ik zou eerst een bocht maken om het vliegveld, om dan in een lage vlucht recht op het bezoek af te vliegen. Vlak voor de hangars zou ik stijl optrekken en beginnen aan mijn programma van loopings, vrille, tonneau, enzovoorts.

Kobus zou na mij starten. Hij stond nog met zijn draaiende C5 een eindje van de startofficier af. Er zou niets gebeurd zijn als hij daar nog even was blijven staan of zich langzaam naar de startplaats had begeven. Nu rolde hij langzaam naar voren. Net naar de plaats waar ik mijn lage vlucht naar de hangar toe zou beginnen. Ik kon hem niet zien. Hij stond vlak onder mij. Ik raakte met mijn rechter wiel zijn vleugel. Het wiel brak eraf. Kobus had mij horen aankomen en was in de cockpit weggedoken. Gelukkig was hij niet geraakt. En ik hing weer in de lucht met één wiel.

Sergeant Majoor van Gemeren ging met de eerste de beste machine de lucht in om naast mij te komen vliegen en mij op het defect te wijzen. Ten einde raad zette ik de jager, de C1, in de hoge heide, niet ver van Den Dolder. Door de klap sloeg mijn 'gashandle' naar voren en begon de motor vol toeren te draaien. Normaal had het toestel over de kop moeten gaan, maar door de sterke luchtstroom op mijn staartvlakken, bleef de machine horizontaal. Er was maar een geringe beschadiging. Net als de machine van Kobus, die alleen een deuk had gekregen in de vleugel boven de cockpit.

Wie had ooit kunnen denken dat deze bijzonder sympathieke man zes jaar later door een kogel het leven zou laten, omdat hij zich 'te vroeg' voor de bevrijding van Nederland had ingezet.

Waarom wij daar in Schoorl zaten werd ons op een middag duidelijk gemaakt door de kampcommandant. Wij waren toen al een maand in het kamp. Hij vertelde ons dat een groep officieren bezig was geweest om in Holland afgelegen gebieden te onderzoeken naar de mogelijkheid voor de Engelsen om daar te landen. Het hoofd van de radiodienst van de KLM, de heer Strijkers had zich beschikbaar gesteld om eventuele berichten via de radio aan Engeland door te geven. Strijkers werd veroordeeld tot een van de ergste strafkampen in Duitsland. Hij overleefde het kamp en kwam na de oorlog weer terug in dienst van de KLM.

Nadat de kamp commandant ons dit verteld had werden we onmiddellijk vrijgelaten. We mochten naar huis.

De kok had een café niet ver van het kamp. Daar gingen we eerst naar toe om via een stevige borrel afscheid van onze chefkok te nemen. Een goed jaar later hoorden wij dat hij door de Duitsers was opgepakt en naar een der ergste kampen was gebracht. Ik hoop van harte dat hij dat heeft overleefd.

Thuis werd ik met open armen ontvangen. "Nu ga je nooit meer weg," zei mijn vrouw, "we zoeken een schuilplaats voor je waarin je weg kunt kruipen."

Maar mijn studie dan? Ik stond vlak voor mijn doctoraal examen geneeskunde. En waar moest ik wegkruipen? Rechts van ons woonde een Duitser en links van ons een NSB-er. Noem je huis dan maar een veilige schuilplaats.

De Duitsers lieten ons twee jaar met rust. Die rust werd plotseling verstoord door een bericht in alle kranten dat alle officieren en reserve officieren van het Nederlandse leger zich moesten melden om te worden opgenomen in krijgsgevangenenkampen. Bovendien volgde daarop een oproep dat de studenten een zogenaamde loyaliteitsverklaring moesten tekenen. Als je deze niet tekende mocht je niet meer studeren.

Wat moest ik doen? Ik had allang alle mogelijkheden onderzocht. Ook de mogelijkheid om mij naar Portugal te begeven, waar de KLM nog een lijn onderhield van Lissabon naar Bristol. Maar mijn vrouw wilde niet dat ik haar alleen liet met de kinderen. Bovendien begonnen in die tijd de zware bombardementen op Duitsland, ook vlak bij Limburg, zodat de nachten beangstigend onveilig waren.

Op een nacht kwam een groot aantal bombardementsvliegtuigen weer overgevlogen naar Duitsland. Ook zat die loyaliteitsverklaring mij erg dwars. Ik wilde niet tekenen en moest dus mijn studie vaarwel zeggen.

Of een andere weg zien te vinden.

 

De Lijn en de weg terug