Beelden uit mijn kinderjaren

trekken aan mijn oog voorbij

HET VUURWERK

 

Van mijn prille jeugd herinner ik mij heel weinig. Maar één gebeurtenis staat mij nog helder voor ogen als een film in kleuren.

Dat was op de dag na de geboorte van prinses Juliana op 30 april 1909. Ik was toen net twee jaar. Wij waren op weg naar het kasteel waar ter gelegenheid van de nieuwe prinses vuurwerk zou worden afgestoken. Mijn moeder had mij op de arm genomen. Wij liepen langs het veerhuis op de weg langs de Maas. Mijn moeder had een zwarte omslagdoek om de schouders. Mijn broertje liep naast ons. Ik keek op hem neer. Hij droeg trots een lampion. Zo'n ronde papieren bol van geribd gekleurd papier aan een stok. In de bol brandde een gewone kaars.

Het was erg donker op straat. Straatverlichting was er niet. Om de eenvoudige reden dat er nog geen electriciteit of gas bij ons te bespeuren viel.
Wij trokken samen met vele andere mensen de donkere oprijlaan in. In de diepte van die, met hoge kastanjebomen omgeven laan, zag je het kasteel liggen.
Je zag alleen de ramen waarachter een tiental petroleumlampen brandden.
Daar woonden de baronesse en de baron.

Op het pleintje voor de ingang met de hoge stenen trappen zagen wij al heel wat mensen staan. Vooral kinderen van alle leeftijden.
Links en rechts van het pleintje had je de bijgebouwen.
Helemaal links lag de paardenstal. De paarden waren elders ondergebracht om de dorpelingen, als dat nodig zou zijn, in die ruimte te laten schuilen. Blijkbaar was die stal voor ons gewone mensen gereserveerd. De chique genodigden waren al eerder met koetsen aangekomen. Je zag ze bewegen achter de hoge verlichte ramen.

De meeste hoge gasten bevonden zich voor ons onzichtbaar achter het kasteel in de 'gaard'. Daar zou ook het vuurwerk worden afgeschoten tussen de hoge eiken, beuken en berken, in de prachtige kasteeltuinen die ik toen nog niet kende.
Wij waren langzaamaan bijna allemaal in de paardenstal terechtgekomen vanwege de koude avondlucht. Een enkele stallantaarn hing hoog aan het plafond. Je kon mekaar nauwelijks onderscheiden in het vage petroleumlicht.

Plotseling gaf een vrouw, die achter ons tegen de voerbak stond, een felle gil.
"Ratte, ratte," schreeuwde ze, terwijl ze zich tussen de vele aanwezigen heen naar buiten werkte.
Iedereen drong naar de staldeur. De vrouwen hielden de rokken strak om de benen.
Misschien was het maar een muis geweest of een kat.
Er werd gegild. In een ogenblik was de stal leeg.

Meteen daarop kwam de eerste knal van het vuurwerk. Hoog boven het kasteel barstte een bom tot duizenden sterren uiteen. Een volgende knal kleurde de hemel achter het gebouw vuurrood. Het was een prachtig gezicht.
Soms zagen wij de hemel helderblauw kleuren boven het dak. Maar er waren ook veel knallen waarvan wij aan de voorkant van het gebouw geen vuurwerk te zien kregen. Soms hoorde je alleen knetteren.

Alles bij elkaar toch een groot feest voor de dorpelingen, die anders nooit vuurwerk van enige omvang te zien kregen. Hoogstens wat klappertjes met Nieuwjaar.
Voor de vele genodigden was het feest nog lang niet afgelopen.
Het liep tegen de morgen toen de koetsen met half slapende inzittenden door de Dorpsstraat ratelden. Zij waren op weg naar de kastelen in de buurt. Naar Born, Roosteren, Ohe en Laak, Limbricht en over de grens naar Duitsland.

Dat vertelde mijn moeder mij vele jaren later. Ikzelf ben al tijdens het vuurwerk op de schouder van mijn moeder in slaap gevallen.

 

 

Door
Inhoudsopgave