GEDICHTEN

Toen zij stierf.

 

In alle stilte is zij heengegaan.
Het afscheid viel ons beiden zwaar.
Ik hield haar handen lang nog in de mijne
Ik hield zoveel, zoveel van haar.

 

Ik drukte zacht haar dode vingers
Diep drong de waarheid tot mij door
Dat zij nu nooit meer zou ontwaken
Dat ik voor altijd haar verloor.

 

Een leven lang heb ik bij haar geslapen.
Een leven lang heb ik het geluk omkneld
Om nu ineens het vreeslijk lot te voelen
Het geluk van het samenzijn voorgoed geveld.

 

Ik had je nu nog naast mij liggen.
Ik zag je lieve mond, je trouw gelaat.
Maar straks ben jij voorgoed verdwenen
Als eenmaal op je graf de nieuwe grafsteen staat.

 

Nog eenmaal wil ik naar je kijken
Straks zie ik je nooit meer lieve vrouw
Je ogen dicht, je stem verdwenen
Ik hield zoveel, zoveel van jou.

 

J.H.Frenken