Piet Soer en anderen van de oude Indiënroute - J.H. Frenken

WEET JE HET NOG KEES?

Een waar verhaal.

 

Weet je het nog Kees, van dat vluchtje naar Dusseldorf?

 

Het was meen ik in 1935. Vanaf 8 uur hadden we die morgen al op Schiphol rondgehangen, als reserve. Jij als BWK en ik als vlieger. We zouden ook rondvluchten doen, maar het weer was te slecht en niemand meldde zich daarvoor. Het beloofde dus een vervelende dag te worden ondanks de vele koffie in het gezellige restaurant. We konden toen niet vermoeden dat de herinnering aan deze dag ons nog zo lang zou bijblijven.

 

Toen we kort na de middag voor het telefoonkantoortje een praatje maakten kwam de heer Thomson, chef van de KLM op Schiphol, op ons af. Aan zijn gezicht zagen we al dat hij iets bijzonders voor ons had.

 

"Een extra vlucht naar Dusseldorf", riep hij ons toe. "Met een Koolhoven, de Krekel, ze brengen hem direct naar buiten uit de hangar, en morgen terug".

 

Het betrof een belangrijke passagier, een schatrijke uitvinder met belangen in het buitenland, zo vertelde hij ons. Een man die veel met de KLM vloog, een VIP zouden we tegenwoordig zeggen, een man om in de watten te leggen. Hij was net uit Parijs aangekomen met een F-12, de lijnmachine.

 

"Wat een meevaller", zei jij, "lekker even naar Dusseldorf".

 

Wij konden zo'n extraatje best gebruiken, jij en ik. We waren beiden pas getrouwd en ons salaris was behoorlijk aan de lage kant. Ik verdiende per vlieguur fl. 2,50 en jij nog veel minder. Elk uurtje extra was dus mooi meegenomen; brood vliegen heette dat.

 

Inmiddels was het eenmotorige toestelletje achteruit op het platform getrokken. Naast de bestuurder konden er nog drie passagiers in, waarvan twee op de achterbank. De passagier was een fors gebouwde man die meer weg had van een uitvoerder van een bouwmaatschappij dan van een rijke uitvinder. Een zwarte vilten deukhoed, losse grijze regenjas, lakschoenen (toen in de mode) en beige slobkousen. Hij schudde ons beide de hand alsof hij ons al jaren kende. Hij werd begeleid door de chef van de passage en een hulpje die de koffers droeg, een grote blauwe die maar net in de bagageruimte ging en een klein bruinlederen handkoffertje dat hij bij zich wilde houden toen hij op achterbank schoof.

 

De motor startte vlot.
"Hij loopt lekker", zei jij na magneetcontrole en proefdraaien.

"Blokken weg."

 

We huppelden naar de rand van de Schipholweg, draaiden met de neus in de wind en vervolgens vol gas over de grasmat en de lucht in. Langzaam stegen we door de wolken; op 2500 meter in de blauwe lucht vlak boven een gesloten wolkendek dat schitterde in de zon.

 

De passagier had zijn koffertje geopend en snuffelde in zijn papieren. Na een half uur vliegen merkte ik dat hij onrustig werd. Hij schoor heen en weer, en omdat hij nogal zwaar was dook de neus dan even naar voren, waardoor je telkens moest bijsturen. Omdat hij recht achter mij zat vroeg ik aan jou, Kees, om eens te kijken wat hij uitvoerde en hem te vragen rustig te blijven zitten. Jij draaide je om, maar in plaats van iets tegen hém te zeggen hield jij je hand achter mijn oor en zei stilletjes tegen me: "Hij zit met een revolver te spelen!" Toen ik me daarop zelf omdraaide kreeg ik de schrik van mijn leven. Hij had de revolver op zijn rechteroog gericht; zijn linkerwang was opgetrokken. Hij tuurde recht in de loop. Er ging een koude rilling langs mijn rug. We verwachtten elk ogenblik de fatale knal, maar die kwam niet. Ik zag het al in de krant staan: "Beroemd uitvinder schiet zichzelf dood in een Koolhoven", of "Drama aan boord van een vliegtuig."

 

We moesten hem dat ding afhandig zien te maken. Maar hoe?
Jij stelde fluisterend voor om hem samen tegelijkertijd het wapen te ontfutselen. Maar hij was sterk en het wapen was misschien geladen. Ik zag ons al vechten in die kleine ruimte met die subtiele deurtjes. Toen tikje jij me op de schouder en wees me op de zware sleutel die je uit de gereedschapstas had gehaald en nu tussen je knieën hield.

 

"Als hij dat ding niet gauw opbergt sla ik hem de hersens in", zei je aan mijn oor. Maar ook dat leek me geen aantrekkelijke oplossing. Toen besloot ik hem te laten schrikken. Ik schreeuwde hem toe: "Riemen vast. We moeten zo gauw mogelijk naar beneden". Daarop duwde ik de Krekel plotseling steil omlaag de wolken in. Ik geloof dat hij flink was geschrokken, want jij vertelde later dat hij zijn revolver snel had opgeborgen en stil was blijven zitten. Opgelucht borg jij toen de sleutel weer in de gereedschapstas.

 

Onder de wolken uitkomend zag ik dat we al boven Venlo zaten en een kwartier later stonden we op het vliegveld van Dusseldorf. We hadden een mooi windje mee gehad.

 

In het stationsgebouw wilde ik een taxi bestellen om ons naar een niet te duur hotel in de stad te brengen, maar daartegen had onze VIP ernstige bezwaren.

 

"Nee, nee", zei hij, "daar komt niets van in. Ik heb hier nog een auto staan en ik breng jullie naar het beste hotel in de stad. Jullie zijn vandaag mijn gast. Bovendien weet ik niet of ik jullie nog nodig heb voor een vluchtje. Dus denk eraan, alle kosten zijn voor mij".

 

"Is dat even een meevallertje". zei jij toen we naar buiten liepen. "De verblijfsvergoeding van de KLM kunnen we alvast in ons zak steken".

 

We begonnen het gebeuren met de revolver al een beetje te vergeten. Er waren in die dagen meer mensen met een revolver, en bovendien wie weet was het ding zelfs niet geladen geweest.

 

Hij nam ons mee naar een oude vervallen hangar die hij had gehuurd. Althans dat zei hij. Daar stond, onder het stof, een dure nieuwe auto. Sinds zijn laatste bezoek aan Dusseldorf, twee maanden geleden beweerde hij. Jij hielp hem de accu aan te sluiten, en jawel hoor na enig geplof en gereutel liep de motor. Met een lap die we op grond vonden werden de ruiten schoongeveegd en we waren gereed om in te stappen.

 

We stopten om de hoek van het duurste hotel in de stad. Onze verbazing nam nog toe toen hij voor ons twee van de duurste kamers bestelde.

 

Hij zei nog: "Jongens, neem een lekkere fles champagne en ga lekker eten met een fles wijn. En alles voor mijn rekening. Maar ik had graag dat jullie bereikbaar bleven. Ik kom vanavond om tien uur terug en dan bespreken we voor morgen. Als er iets tussenkomt bel ik. En, oh ja, mag ik de blauwe koffer onder jullie hoede laten? Gegroet en tot straks".

 

Hij verdween met een flair alsof half Dusseldorf van hem was. Zijn grijze regenjas flapperde tegen het koffertje waarin wij de revolver wisten.

 

"Achteraf toch geen kwaje vent", zei jij. "Ik geloof dat hij echt maar wat heeft zitten spelen. Misschien was het wel een namaakpistool".

 

Een hele tijd bleef ik genieten van het grote bad. Aan de andere kant van de muur hoorde ik jou zingend spartelen in de kuip.

 

Een half uurtje later stapte je glad geschoren en voorzien van een schoon overhemd bij mij binnen.
"Ik zou wel een glaasje lusten", zei je opgewekt en ook ik had daar geen enkel bezwaar tegen. Even later zaten we in de bar aan de champagne.

 

Toen de fles leeg was gingen we vrolijk en breeduit zitten aan een aristocratisch gedekte tafel in een hoek van de met palmen versierde eetzaal, waarin ruimte was gelaten voor dansvloer en zigeunerorkest.

 

We lieten ons de menukaart uitleggen door een in een rood jasje gestoken chef en gingen akkoord met het door hem aanbevolen wijntje. Tot tien uur smulden we daar onder het genot van de zigeunermuziek en de aanwezigheid van vele vrolijke Duitse feestgangers. We verwachtten ieder ogenblik onze belangrijke passagier te zien binnenkomen. Maar wie er ook kwam, niet onze uitvinder. We lieten de rekening op de kamers schrijven en hadden graag nog een wandeling gemaakt om de overvloedige maaltijd wat te laten zakken, Maar we mochten niet weg had de tijdelijke baas gezegd. Dan maar naar de bar terug waar we bleven nippen aan een glas sprudel.

 

Toen hij er om elf uur nóg niet was werden we ongerust. "Weet je wat ik gek vind", zei jij, "dat hij geen kamer voor zichzelf heeft besproken; straks laat hij ons hier zitten en kunnen we alles zelf betalen". Het zag er ineens toch niet zo prettig meer uit. "Maar we hebben z'n blauwe koffer nog", probeerde ik je te sussen.

 

Eindelijk, om 12 uur werd ik aan de telefoon geroepen. Hij kon onmogelijk naar Dusseldorf komen en of we hem de volgende dag om 12 uur met de Koolhoven wilden komen ophalen in Duisburg om terug te vliegen naar Amsterdam. En of we onze kamers wilden betalen, en de rekening vragen, want dat geld kregen we in Duisburg van hem terug.

 

"Er klopt iets niet", zei jij, "hij zegt dat hij het geld van de kamers zal teruggeven, maar de champagne, het diner en de wijn?"

 

Het was in een vrij droeve stemming dat we die avond onze luxe kamers betraden. Op de prijslijst in de bar hadden we gezien dat de champagne alleen al zoveel kostte als onze nachtvergoeding van de KLM. Maar er was nog hoop. Als hij morgen niet kwam opdagen of over de brug zou komen, zouden we de KLM opbellen. En de blauwe koffer zouden we houden voor "gijzeling".

 

De rekening van het hotel was hoog. Erg hoog! Ik trachtte nog alles op rekening van mijnheer X te laten schrijven, maar de schrale figuur achter de desk met de vergulde knopen en groen fluwelen boord aan zijn jas, schudde kort en krachtig met zijn wijsvinger. Zo van: "Je kunt me nog meer vertellen, maar dat nooit."

 

Ik had hem nog willen vragen of ze met die mijnheer wel eens tegen de lamp waren gelopen, maar dat kun je een belangrijke passagier niet aandoen.

 

Om tien uur vertrokken we, beiden platzak, naar Duisburg. Het ontbijt, dat niet was inbegrepen, namen we niet, alleen een kop koffie.

 

Duisburg had destijds een klein vliegveldje met weinig accommodatie. We ijsbeerden wat heen en weer voor de Koolhoven en ergerden ons behoorlijk toen onze passagier al ver na twaalf' uur nog niet was komen opdagen.

 

"Hij belazert ons", zei jij, "je zult zien dat hij ons hier laat stikken. Ik vertrouw die vent voor geen cent meer". Je was een echte gifkikker in die tijd. Ik probeerde je te kalmeren door te wijzen op de blauwe koffer, die we nog hadden.

 

Tegen één uur was de spanning zo hoog opgelopen dat ik op het punt stond om Schiphol te bellen en te vragen of we niet zónder hem konden terugkeren, want dat er beslist iets gaande was met die man. Maar, jawel hoor! Daar kwam hij aan, Via een zij-ingang, compleet met gleufhoed en zwaaiende regenjas. Hij zag er verwaaid uit, ongeschoren en zijn lakschoenen bevuild; dikke rode ogen alsof hij niet had geslapen. Zo te zien óp van de zenuwen. Hij riep ons toe om even te wachten, want hij moest dringend telefoneren. De streek die hij toen uithaalde bemerkten wij pas een uurtje later. Ik kan me nu nog kwaad maken als ik eraan denk.

 

Toen hij klaar was schoof hij met zijn koffertje op de achterbank. Hij riep opgelucht, bijna vrolijk: "Draaien maar, naar Schiphol, geef maar flink gas!"

 

"Het lijkt wel of ze hem op de hielen zitten", zei je nog tegen me. Toen de motor draaide achtte ik het moment gekomen hem de rekening van het hotel aan te bieden.

 

"Oh Ja", zei hij, "die rekening. A propos, hoe hebben jullie het gehad? Jammer hé, dat ik me niet los kon maken gisteravond. Ik houd de rekening bij me en dan zal ik alles op Schiphol betalen. Ik moet even wat geld wisselen. Of hebben jullie liever een cheque?"

 

Ik maakte hem duidelijk toch maar liever boter bij de vis te hebben.

 

"Dan straks op Schiphol," zei hij en ik voelde me enigszins gerustgesteld.

 

Maar jij Kees, jeeminee wat was je kwaad! "Hij bedondert de zaak", zei je aan mijn oor, en je had de sleutel alweer tussen de knieën. Ik geloof dat je uit wraak hem onmiddellijk zou hebben gebruikt, als hij de revolver ook maar even tevoorschijn had gehaald.

 

Voor alle zekerheid bleef ik laag vliegen. Langzaam schoven we over het nu zonbeschenen landschap. Hij zat doodstil achterin, de ogen gesloten. Ik geloof dat hij de hele weg sliep. Ik dacht: "Laat maar slapen, straks op Schiphol ga ik met hem naar de passage". Maar ik had verkeerd gedacht.

 

Na de landing wenkte de meester op het platform mij om de Koolhoven naast een Fokker F-12 te rijden die met draaiende motoren gereed stond om te vertrekken. Het schrale Krekeltje naast de trotse Havik. Onze schroef stond nog niet stil of ik zag de heer Thomson en de chef van de passage al op ons afkomen. Een bagagejongen haalde snel de blauwe koffer uit de bagageruimte en rende ermee naar de F-12. Onze belangrijke passagier werd met alle voorkomendheid uit de Krekel gehaald en voor we wat konden inbrengen snel naar de Havik gebracht. We zagen nog hoe hij met moeite met zijn linkerhand zijn vilthoed op zijn hoofd hield tegen de schroefwind, en het gele koffertje waarmee hij zijn opwaaiende regenjas in bedwang hield. Toen ging de deur achter hem dicht, en onmiddellijk rolde de F-12 weg naar de rand van het veld aan de Schipholweg.

 

Weet je nog wat je riep Kees, toen je met je rechterhand met de grote sleutel schudde in de richting van de F-12 die volgas over de grasmat stoof richting Parijs?

 

Vol wrok en teleurstelling schreeuwde je: "De schoft ...!" En weet je nog wat je uit de grond van je hart tegen mij zei: "Wat stom van je om geen cheque van hem aan te nemen!"

Als "reserve" kon je van alles verwachten in die dagen. Diezelfde nacht werd ik om drie uur uit mijn bed gehaald omdat ik om half zes naar Indië moest vertrekken, in de plaats van een tweede bestuurder die ziek was geworden. Toen ik vier weken later op Schiphol kwam om bij mijnheer de Jong mijn geld te halen kwam ik in het gangetje langs het kantoor van de heer Thomson. De deur stond open en ik zag hem aan zijn bureau zitten en dacht: "Ik moet hem dat van die belangrijke passagier toch maar even onder de neus wrijven". Ik vertelde hem hoe wij erin waren gelopen toen in Dusseldorf.

 

"Man", zei Thomson, "dan mag je nog van geluk spreken. Als je eens wist voor hoeveel de KLM erin is gestonken! Weet je wat er met hem is gebeurd?". Ik wist werkelijk van niets. "Hij had toen in Duisburg opgebeld om de Parijs-machine op hem te laten wachten. Daarmee is hij toen halsoverkop vertrokken om in Parijs de nachttrein te nemen naar Cherbourg waar hij zich op de Normandië liet inschepen voor New York. Maar de politie heeft hem van boord gehaald". Hier pauzeerde de heer Thomson even. "Vanwege de afgifte van ongedekte cheques … hij werd ook in Duitsland gezocht".

 

Dus je had toen toch gelijk Kees dat ze hem op de hielen zaten in Duisburg. Maar jouw verwijt over die cheque die hij aanbood was ten onrechte, want die zou natuurlijk ook ongedekt zijn geweest.

 

"Wij begrepen er niets van", zei Thomson, "het was altijd een betrouwbare passagier geweest, alleen de laatste tijd begon hij wat eigenaardig te doen, alsof hij niet wist wat hij wilde; soms wat verward en onrustig".

 

"En nu", vroeg ik, "zit hij nu in de gevangenis?"

 

"Daar heeft hij enkele dagen gezeten, jazeker. Maar toen hebben ze hem naar het gekkenhuis moeten brengen; hij was volkomen tierelier". Weer pauzeerde Thomson.

 

"En nu is hij dood …!"

 

"Dood?", zei ik verbaasd. "Zelfmoord?" Ik dacht aan onze ervaring in het Krekeltje.

 

"Dat heeft er wel ingezeten", zei Thomson. "Toen ze hem arresteerden had hij een geladen revolver bij zich. Maar het was geen zelfmoord, het was iets heel anders. Hij stierf volkomen krankzinnig aan een snelgroeiende hersentumor. Nog geen tien dagen geleden ...!"

Ik voelde weer die koude rilling langs mijn rug omhoog kruipen net als toen in die kleine Koolhoven, op weg naar Dusseldorf.

 

Naschrift.

 

Ik weet echt niet Kees of je nog leeft. Misschien lees je dit in een bejaarden flat of misschien wel in een makkelijke stoel bij moeder thuis. Als je je dit reisje nog herinnert stuur me dan eens een kaartje. Mijn adres is bij de redactie bekend.

 

J.H. Frenken, Vrije vogels nr. 29, april 1990

 

Terug naar Piloot
Terug naar Verhalen