VERHALEN IN 'VRIJE VOGELS'

De Pruimen

 

Het gebeurde in de tijd na de 'Anschluss'.
Hitler had zijn geboorteland ingepalmd. De Oostenrijkers hadden niet veel meer te vertellen. Ze werden gedwongen om ook de strenge deviezenbepalingen te aanvaarden.
Geld, goud en waardevolle artikelen mochten niet zo maar het land uit. Het kwam allemaal onder strenge controle.
Vooral de Joden hadden hieronder te lijden.

Op een middag zaten wij drieën, Jo Muller, Alsem en ik in onze DC3 op het platform van de douaneuitgang op het vliegveld van Wenen te wachten op onze passagiers.
Het duurde nogal lang voordat de eersten de trap opkwamen. Ik kan niet zeggen dat ze vrolijk keken.
De bagage werd ingeladen. Eindelijk konden we vertrekken.
Draaien maar! Het geluid van de motoren klonk als een opluchting. Maar voordat de blokken werden weggetrokken, kregen wij van de chef van het platform een teken om de motoren weer te stoppen.
De deur ging open. De KLM agent werd binnengelaten. Hij liep meteen door naar de cockpit.
We moesten nog even wachten, zei hij. Er was nog een passagier onderweg. Hij was op het laatste moment toch nog komen binnenvallen, toen al besloten was om ons maar zonder hem te laten vertrekken.
We zaten weer te wachten, maar nu duurde het niet lang.
Het was een kleine man met een kennelijk Joods uiterlijk, die blijkbaar zonder moeilijkheden de douane was gepasseerd, mogelijk omdat alles met zoveel haast moest gebeuren.
Ik weet nog dat hij een zwarte deukhoek droeg. Hij lachte voldaan toen hij de cabine binnenstapte en zich met een zucht op zijn stoel liet zakken.
De deur viel dicht. We konden weer draaien.

Net wilden we gas geven om naar de startplaats te rijden, toen daar vóór de machine weer die figuur verscheen die met de armen gekruisd boven zijn hoofd ons zwaaiend beduidde, dat wij de motoren alweer moesten stoppen. Wat nu weer?
Naar buiten kijkend zag ik enkele douaniers en politie op ons toestel af komen. De deur ging weer open.
De passagier die net was ingestapt, werd uit de machine gehaald. Hij zag lijkbleek toen hij van de trap afdaalde. Zijn koffers werden uit de bagageruimte gehaald. Het leek wel een processie zoals ze achter elkaar terugliepen naar het douanekantoor.
De deur ging weer dicht.
De man met de pet op het platform beduidde ons dat we weer konden draaien. Wij konden werkelijk weg.

Later, toen we weer in Wenen kwamen, hoorden we wat er gebeurd was.
Omdat ons vertrek al zoveel vertraagd was, had de douane haast gemaakt met de controle van onze laatste passagier. Ze hadden nauwelijks in de koffers gekeken. Mogelijk dat de man daarop gespeculeerd had en dus met opzet op het laatste nippertje was komen opdagen.

Toen zijn koffers al met het bagagewagentje onderweg waren naar het vliegtuig, had hij nog even de jongeman geroepen die hem bij binnenkomst geholpen had met de koffers. Hij vroeg hem even te wachten, omdat hij hem nog iets wilde meegeven.
Hij schreef toen snel een klein briefje tegen de muur van de vertrekhal. Daarbij had hij niet in de gaten dat de jongeman over zijn schouder heen keek en las wat hij schreef.

Er stond alleen maar: 'Es ist mir gelungen die Pflaumen mit zu nehmen'. Anders niets.
Daarop had de reiziger een envelop voorzien van adres en postzegel, uit zijn binnenzak gehaald. Hij deed het briefje in de envelop en gaf deze aan de jongen met het verzoek de brief voor hem te willen posten. Als beloning voegde hij er een flinke fooi aan toe.

Met het idee dat hem nu niets meer kon gebeuren, spoedde hij zich glunderend naar het vliegtuig dat hem weg zou brengen naar de vrijheid.
Maar de bagagejongen had even nagedacht over de pruimen. Er waren in dat jaargetijde in heel Oostenrijk geen pruimen te vinden.
Hij vond het vreemd. Dat moest hij toch maar even aan de chef van de douane laten zien.

Deze maakte de brief open. Hem ging direct een lichtje branden.
'Festhalten, die Maschine stopfen!' schreeuwde hij door de hal.
Op het nippertje werden wij tegengehouden.
De koffers werden weer opengemaakt. Daar vonden de douane de dubbele bodem en daarin geld, veel geld, en diamenten. Een fortuin.

De deur naar de vrijheid van het westen had wijd opengestaan voor onze passagier, die nu moest achterblijven.
De deur was vlak voor zijn neus weer dichtgeklapt.
De deur van de gevangenis ging open.
En dat alleen door die stommiteit met dat briefje.......

 

J.H. Frenken, Vrije Vogels, april 1995