VERHALEN ALS ARTS

Met een oor in de hand…

 

Na een drukke tijd in de praktijk besloot ik met mijn vrouw een weekje vakantie te nemen in Santo Domingo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek. Die plaats hadden wij gekozen omdat we hadden gelezen dat daar nog veel overblijfselen zijn uit de tijd dat Columbus America ontdekte. Hij zou daar aan land zijn gegaan na de overtocht over de oceaan. De avond voor ons vertrek vertelde ik het aan een collega, waarop deze zei: "oh, dan vlieg je met het prostitutielijntje." Ik zou spoedig ervaren wat dat betekende.

De Dominicaanse Republiek beslaat het oostelijk deel van een groot eiland in de Caribische zee. Het wordt hoofdzakelijk bewoond door afstammelingen uit de tijd van de Spaanse overheersing. Dit in tegenstelling tot het westelijk deel dat door Haïtianen wordt bewoond, en die stammen in hoofdzaak af van de vroegere slavenbevolking. In Haïti wordt Frans gesproken. In de Dominicaanse Republiek is Spaans de voertaal. Beide landen zijn arm, zodat vele bewoners gedwongen zijn om elders de kost te verdienen. De vrouwen van Santo Domingo, zoals in de volksmond de hele republiek wordt genoemd, schijnen een speciale charme te bezitten. Ze waren tenminste zeer gewild als prostituees op de rijkere eilanden, waarin de 'boom' tijd in de olie industrie nogal wat te verteren viel door de vele zeelieden, de Portugese werklieden, de plaatselijke welgestelden, enzovoorts. Vroeger werden die vrouwen 'matjes' genoemd.

Ze waren voor 1950 of daaromtrent niet gehuisvest om het zo maar te noemen. Ze waren 's avonds gedurende het 'tippelen' te herkennen aan een opgerold matje dat ze onder de arm met zich meedroegen. Hun beroep oefenden ze uit in de vrije natuur op zo'n matje dat op de rotsen, op het strand, onder een divi-divi boom of in een afgelegen hoekje op straat werd uitgelegd. In de vijftiger jaren kwam een einde aan de matjes. De bewoners van bepaalde gefrequenteerde wijken waren bij de overheid steen en been komen klagen over de overlast die ze ondervonden. Niet zo zeer om religieuze of preutse redenen, maar omdat de vreemdelingen die niet van het 'matje' afwisten zich al te vaak vergisten en dan de betere nette dames op straat lastig vielen. Toen werd de prostitutie in bepaalde huizen ondergebracht en er kwam zelfs een kamp omgeven met prikkeldraad waar de liefde meer hygiënisch en masse werd bedreven. De liefde werd gecommercialiseerd.

Voor een deel werden de vrouwen aangevoerd als passagiers met de fruit en groentebarkjes uit Venezuela. Zij reisden voordelig in tegenstelling tot hun collega's uit Santo Domingo die een dure luchtreis moesten betalen. En juist die vrouwen waren zo arm als de ratten. Daar zagen de geldschieters weer wat in. Tegen hoge woekerrente kon geld worden geleend voor de termijn van het verblijf op het olie eiland. Die termijn was door de autoriteiten vastgesteld. Slechts enkele weken mochten de vrouwen hun bedrijf op het eiland uitoefenen. Dan moesten ze weer terug om door verse krachten te worden vervangen. Vandaar de geregelde wekelijkse dienst van de luchtvaart maatschappijen, die er eveneens wel bij voer.

Nu moet u niet denken dat het allemaal vrouwen waren die over het algemeen met het woordje 'slecht' werden bestempeld. Oh nee! Er waren erbij die slechts tijdelijk voor die kwalificatie in aanmerking kwamen. Het waren thuis vaak goede huisvrouwen met man en kinderen. Zij wilden op die manier alleen het huiselijk budget op peil brengen. Ook waren er jonge, huwbare vrouwen, al of niet verloofd, die het verblijf elders wilden benutten om met een welverdiende uitzet fatsoenlijk in het huwelijk te kunnen treden.

Zo stonden wij dan op een donderdagmorgen in de vertrekhal op het vliegtuig te wachten. Het was een hele drukte om ons heen. Er waren heel wat wegbrengers voor de vrouwen van Santo Domingo. Er werd gegiecheld, geknuffeld, omarmd, tot en met gezoend door de tijdelijke minnaars van velerlei rassen en afkomst. De tijd zat erop voor de 'meisjes'. Aan de nieuwe moderne jurken te zien had het verblijf hun geen windeieren gelegd.

 

Wij kregen een plaats helemaal achter in het vliegtuig. De 'vrouwtjes' zaten meer naar voren. In de twee rijen stoelen voor ons zat niemand. Ik denk dat de steward opdracht had om toch maar een beetje onderscheid te maken tussen zijn pappenheimsters en de echte toeristen. Discriminatie vind je overal.

De vliegtijd naar Santo Domingo was in die tijd nog geen twee uur. Het grootste deel van de reis verliep rustig, afgezien van het vrolijk geklessebes aan boord, waarbij mijns inziens de achtergelaten klanten behoorlijk werden doorgetrokken. Het toilet lag vlak achter ons. Met een poederdoos in de hand en een opgeheven lippenstift werd er een druk gebruik van gemaakt. Bij elke rok die langs schoof bleef een min of meer dikke zwoele parfumlucht in het gangpad hangen.

Plotseling schoten we de wolken in. Fasten Seat Belts verscheen verlicht op de cockpitdeur. Het vliegtuig begon wat te dansen. Iedereen ging zitten. Het werd heel stil in de cabine.

Dat duurde misschien tien minuten toen we plotseling in een heftige turbulentie terecht kwamen. De wolkenmassa om ons heen werd nu en dan fel verlicht door bliksem. We schoten heen en weer in onze stoelen. We werden omhoog gesleurd, om vlak daarna weer in de riemen met een ruk omlaag te worden getrokken. De passagiers werden flink door mekaar geschud. Met uitgeschreeuwde schietgebeden werden rozenkransen hoog boven de hoofden gehouden. Bij iedere heftige remous tik werd in doodsangst gegild, geschreeuwd en gekrijst. Het 'Madre de Dios' was niet van de lucht.

De steward was rechtop voor in de cabine gaan staan. Met beide handen hield hij zich krampachtig vast aan de buizen van het bagagenet. Als het toestel omhoog werd gezogen, bogen zijn knieën door. Als het naar beneden kwakte, klapte hij zijn hoofd naar voren om niet tegen het plafond terecht te komen. Met een bevende stem die nu en dan oversloeg probeerde hij de deinende troep inzittenden te kalmeren. De reactie van de vrouwen was duidelijk. Ze begonnen nog harder te schreeuwen alsof hel en vagevuur op hen afkwamen. Gelukkig duurde het niet lang, hoogstens tien minuten.

Ondertussen waren de spuugzakken voor de dag gehaald. De cabine vulde zich met een zure lucht. Toen schoten we met een klap uit de onweerswolk de blauwe lucht in. De steward kleurde bij. Hij haalde de zakken op met een air van 'zie je wel, ik had toch gezegd dat er niets aan de hand was'. Er werd weer ruk met poederdoos en lippenstift naar het toilet gelopen. Ineens was er weer een opschudding.

Een van de dames lag weggezakt met een slappe arm over de leuning van het middenpad. Als dokter kun je in zo'n geval niet blijven zitten. Ik liep dus naar voren om poolshoogte te nemen. Het was een mooie vrouw van een jaar of dertig. Een dikke zwarte opgestoken haardos sierde haar bleke gelaat. Aan de kin had ze een sierlijk kuiltje met daaronder een litteken alsof ze daar gebeten of gevallen was. Haar pols was zwak. De spanning was teveel voor haar geweest. Ze was van haar stokje gegaan. Ik hoorde dat ze Lola heette. Toen ik een paar maal haar naam had geroepen en enkele zachte klapjes in het gezicht had gegeven, kwam ze weer bij. Beduusd keek ze rond. Met een glimlach bedankte ze mij.

Het licht Fasten Seat Belts ging weer aan, nu omdat de daling werd ingezet voor de landing in Santo Domingo. Het werd een vrolijke ontvangt in Santo Domingo, tenminste voor de dames. Hele families stonden de reizigsters op te wachten. Mannen, vrouwen en kinderen vielen op hen aan. Het werd weer een ceremonie van hartstochtelijke omhelzingen, geknuffel en langgerekte zoenen. Kinderen bedelden om de cadeaus die de moeders hadden meegebracht. Geliefden hielden elkaar vast omklemd in afwachting van de bagage. Dezelfde vrolijke taferelen die we enkele uren tevoren hadden gezien, maar nu met andere mannen. Zo te zien geen zwijm van jaloezie.

Er werd weer gediscrimineerd.
Een beambte kwam ons ophalen in de hal, mijn vrouw en ik werden zonder moeilijkheden door de douane en paspoort controle geloodst. Maar de bagage van de dames werd tot op de bodem nagepluisd.

 

Een paar maanden later werd ik uit mijn slaap gewekt door een aanhoudend bellen en geklop op de voordeur. Ik schoot een ochtendjas aan en spoedde mij naar voren. Ik verwachtte het slachtoffer van een schot of messteek te zien. Toen ik de deur opende zag ik een scène die mij altijd bij zal blijven.

Daar stond diezelfde Lola met het litteken aan de kin. Het leek of ze Dracula ten prooi was gevallen. Met de linkerhand hield ze een helemaal rood bebloede handdoek tegen het hoofd gedrukt. In de rechterhand in een zakdoek toonde ze mij haar linkeroor. Door een woeste klant finaal afgebeten. Ze huilde en smeekte mij snikkend het maar weer op zijn plaats te willen naaien.

Ik wilde geen tijd verliezen en bracht haar onmiddellijk naar het Ziekenhuis. Hoop kon ik haar niet geven. De chirurg ook niet. Samen met het geamputeerd been van een zeeman werd het oor bij een overleden oud vrouwtje in de kist gelegd en kreeg zodoende nog een plechtige begrafenis.

Nog eenmaal heb ik Lola teruggezien. Weer midden in de nacht. Ze was door een woesteling in de schouder gebeten. Toen ze in de deur voor me stond herkende ik haar eerst niet. Geen wonder, want ze droeg haar haren nu in een 'Polka kapsel', recht naar beneden gekamd over de oren. Het stond haar niet slecht. Ik herkende haar aan het litteken op de kin. Ze toonde mij onder de haren de plaats waar het oor had gezeten. Een grauw gat met erom heen wat knobbels. Ik had nog willen vragen of dat litteken aan haar kin ook van een mannenbeet afkomstig. Er zijn nu eenmaal mensen die graag bijten en anderen die graag gebeten willen worden.

Ik ben vergeten het te vragen.