VERHALEN ALS ARTS

Maria Rosario

 

Ze was een heel mooi meisje.

De gave huid van haar gezicht, hals en blote armen, had de mooie donkere teint van de Mestiezen. Lang glanzend zwart sluik haar omrandde een madonna-achtig gelaat om in lange golven over haar schouders weg te vallen tot ver over haar rug. De mooie donkere grote ogen omringd door lange zwarte wimpers gaven een wat treurige uitdrukking, alsof ze als jong meisje al heel wat had meegemaakt.

Ik had al gezien dat ze zwanger was. Ik schatte haar nog geen twintig jaar. Toen ze aan mijn bureau had plaats genomen nam ik automatisch een nieuwe kaart uit de patiëntenbak. Ik vroeg haar hoe ze heette. Ze antwoordde in het Spaans: "Maria." "Familienaam?" "Rosario." Terwijl ik het opschreef schoot al door me heen dat ze niet getrouwd was omdat Rosario de voornaam van haar moeder moest zijn en dat haar vader ook niet getrouwd was geweest want anders was er toch nog een andere naam achter gekomen.

Natuurlijk kon ik me vergissen maar ik vroeg niet verder. Wat had ik er eigenlijk mee te maken of ze getrouwd was of niet? De meeste zwangere vrouwen uit de armere klasse, en dat was het grote merendeel van mijn vrouwelijke patiënten, waren niet getrouwd. De vaders van het kind waren vaak gehuwd met een andere vrouw. Zij bleven na de geboorte min of meer voor het kind zorgen of ze lieten zich niet meer zien als het meisje zwanger was. Dan werd het kind een 'jiuchi afo' (buitenechtelijk kind). Ik vermoedde dat dit ook hier weer het geval was.

Ze was zes maanden 'onderweg' vertelde ze. Ze zou net twintig jaar worden als het kind zou komen. Ze wilde bij mij bevallen op aanraden van een buurvrouw, wier naam ik me van een vroegere bevalling herinnerde.

Ik nam de bloeddruk op, luisterde naar de harttonen van het kind, en deed verder routine onderzoek. Alles was goed. Ze zou de urine afgeven aan de assistente. Ik vroeg nog of ze verzekerd was. Nee, ze wilde zelf betalen! Ze vroeg zelfs of ze de helft vooruit kon voldoen waartegen ik vanzelfsprekend niets kon inbrengen.

Het leek allemaal koek en ei. De bevalling zou mijns inziens geen moeilijkheden opleveren. Toen ze de deur uitging keek ik haar nog even na hoe statig ze de gang uitliep met de mooie lange golvende haren afhangend over haar rug.

Hoe kon ik toen vermoeden dat met dit charmante jonge meisje binnenkort heel wat problemen op me af zouden komen.

 

Het houten huisje waarin Maria woonde stond aan de rand van de stad aan een stoffige doodlopende weg. Van de omgeving was deze weg afgebakend door metershoge grauwgroene cactussen. Deze primitieve afbakening moest het droge armoedige land erachter beschermen tegen de geiten. Wat verderop aan dit weggetje, dat meer op een steegje leek, stond nog een ander houten huisje. Dit was schijnbaar verlaten, want de blinden waren scheefgezakt en de omheining zo goed als verdwenen, op enkele versleten palen na.

Om het groen en geel geschilderde houten huisje van Maria lag een klein erfje, omgeven door een houten schutting die zo verwaarloosd was dat de kippen er door heen konden kruipen. Midden op dit erfje stond eenzaam een divi-divi boom. Door de eeuwige wind uit dezelfde richting was de kruin helemaal omgebogen als een dichtgeklapte pauwenstaart. Het bladerdak was afgeplat en langgerekt. Door zijn netwerk van kronkelige takken wierp de boom een donkere schaduw tot aan de verweerde veranda.

Enkele kippen stoven geschrokken op toen ik het gammele scheve hekje van ruwe planken achter me dichtklapte. In jaren had dit hekje geen verf gezien. Het was drukkend heet. Mijn instrumententas leek wel drie keer zo zwaar als anders, toen ik me loom langzaam de paar trappen ophees naar het platje voor het huis. De felle zon probeerde hier wat kleur te brengen in de vaal blauw gekleurde versleten gordijntjes die voor de open raampjes hingen, naast de deur. Alles stond open om ieder zuchtje wind op te vangen.

In de voorkamer stonden een paar houten keukenstoelen en een tafel die haar beste tijd had gehad. Opvallend was de grote, ietwat scheefgezakte ladenkast van verweerd, donkerbruin mahonie. Daarop stond een driekwart meter hoog beeld van de Heilige Maagd met kind. Ze was omgeven door een ovale krans van papieren rozen in allerlei kleuren. Voor het beeld brandde een oliepitje in een rood glas voor de goede afloop van de bevalling. Bovendien was het beeld nog geflankeerd door twee halve meter grote brandende kaarsen. Het geheel zag er nogal armoedig, maar netjes uit.

Uit het kreunen in de achterkamer kon ik opmaken dat er al aardig schot in zat.

De moeder van Maria verwelkomde mij. Het was geen oudere vrouw, zoals ik verwacht had. Ik vermoedde dat ze bij de veertig was. Ook zij had het bruinige gelaat van de Mestieze. Je kon zien dat ze heel mooi was geweest, vroeger. Maar je kon ook zien dat ze heel veel verdriet had gehad in haar leven. Ze leek veel op Maria. Alleen haar huid was donkerder en ze had meer de trekken van een echte Indiaanse.

Maria lag in bed. Het angstzweet parelde op haar gelaat. Opluchting tekende zich daarop af toen ze mij zag binnenkomen. Na een kort onderzoek troostte ik haar met de woorden: "No tengas miedo Maria, todo esta bien. Esta noche vas a tener tu chico." ( Niet bang zijn, Maria, alles is goed. Vanavond krijg je je kindje.)

Deze avond werd inderdaad een jongetje geboren in achterhoofdsligging. Een mooi, blank kind. Alleen onder aan de rug was de huid wat donkerder gekleurd, ten teken dat dit kind vermoedelijk later ook het donkerdere uiterlijk van de moeder zou aannemen. Nadat ik de navelstreng had afgeklemd en doorgeknipt, gaf ik het kind in de armen van de zuster. Die wikkelde het in een doek. Toen gaf ze het aan de moeder, die het overgelukkig in de arm nam en tegen zich aan drukte. Toen ik even later de nageboorte op mijn hand uitspreidde om te controleren of er geen stukje was achtergebleven, hoorde ik de zuster zachtjes tegen Maria zeggen: "Wat zal pappie blij zijn, straks, als hij zijn mooie, gave kereltje ziet!"

Een vader? dacht ik, ik wist niets van een vader af. Ze had nooit een woord over een vader gesproken als ze voor de maandelijkse controle was geweest. Het interieur van het huis met de sobere meubeltjes was als zovele andere huizen waar ik de bevallingen had geleid voor vaders die zich liever niet wilden of konden vertonen omdat ze dan voor de aangifte de rol van de echte wettelijke vader zouden moeten vervullen. Het kon me meestal niet schelen wie de vader was. Discretie wordt als een goede eigenschap voor een dokter beschouwd.

Maar hier lag het toch iets anders. Maria had toch meer indruk op me gemaakt dan ik gedacht had, er was een soort vriendschap tussen ons gegroeid. Van mijn kant was het meer medelijden voor dat sympathieke meisje met de zachte bescheiden stem, die hier in dit vreemd land al de moeilijkheden van een onwillig moederschap te dragen kreeg. Van haar kant was het een vertrouwen geweest in mijn behandeling. Uit het weinige dat ze had losgelaten wist ik dat zij en haar moeder kortgeleden uit Venezuela waren overgekomen. Ik had dan ook een of andere Venezolaan van het vaderschap verdacht. Ik dacht aan dat mooie beeld op mijn bureau, dat ik bij mijn artsuitreiking had gekregen. De drie apen: een met de handen voor de ogen, een met de handen over de oren, een met de handen voor de mond.

In de voorkamer had de moeder van Maria een waskom met water voor me klaargezet naast de ladenkast met de kaarsen. Ze sprak Spaans tegen me. Ook toen kwamen vele vragen bij mij op. Hoe waren ze hier terechtgekomen? Waarvan leefde zij en Maria?

Toen ze mij de handdoek aanreikte kwam de tweede grote verrassing van deze avond. Ze legde de vinger op de lippen en zei fluisterend, opdat de zuster het niet horen zou: "pagamos mañana doctor." Dat 'mañana' kende ik. Het betekende eigenlijk dat het heel lang zou duren voor de rest van het honorarium zou worden betaald, àls het ooit betaald zou worden. Ik reageerde niet, wat moest ik zeggen, ze hadden immers de helft al betaald. Mijn zwijgen nam ze mogelijk op als een afkeuring, want ze liet er vergoelijkend op volgen: "el doctor no ha llegado todavia." (De dokter is nog niet gekomen.)

Ik stond perplex. Een Collega? In het boekje van medische ethiek dat je vroeger gratis meekreeg bij je artsenbul stond tussen haakjes dat je geestelijken en collegae met hun familie niets in rekening mocht brengen voor medische hulp.

Wie was dan die dokter? Zeker een van die Velezolanen die op het eiland werkten, al of niet clandestien. Of misschien een tandarts of een van die 'bracha' dokters waarmee brouwsel werd bedoeld waarmee ze de geesten konden beïnvloeden. Een mengsel van allerlei vieze rommel. Had ik bij die patiënte met de nierbekkenontsteking kortgeleden niet een dode hond boven de deur zien hangen? De hond van haar overleden man. Want het was de geest van haar man die de ziekte in het huis deed rondwaren, en dan hielp alleen dat je alles van die man vernietigde en een teken ervan aan de deur of boven de deur ophing.

Ik zei: "Está bien señora, no se preocupa" (Het is goed mevrouw, maakt u zich maar niet bezorgd). Ik maakte nog even een spuitje Ermetrine klaar voor de moeder om de kans op een nabloeding zo veel mogelijk te beperken. Maria drukte me dankbaar een slappe hand, toen sloot ze uitgeput de ogen.

Op weg naar huis liet de gedachte aan die woorden van wat de moeder gezegd had me niet meer los. Als de vader nu toch eens een collega van mij was, hoe kon ik hem dan het honorarium in rekening brengen? Maar als het een dokter was, die vader, waarom had hij dan in dit geval die bevalling niet zelf gedaan? Ik besloot een en ander aan Maria te vragen bij mijn volgende bezoek.

De volgende dag overhandigde ze mij al direct een blauwe enveloppe met als inhoud de rest van het geld. Ze zei niet dat de vader geweest was. Het zoontje lag in haar arm. Het kleine ding probeerde smakkend aan zijn duimpje te zuigen. Je kon nu duidelijk zien dat het kind veel lichter gekleurd was dan de moeder. Een mooi tafereel van zalig moederschap. Ik zei haar dat ik het kind moest aangeven.

"Als er geen vader is moet ik het doen. Hoe zullen we hem noemen?" vroeg ik, terwijl ik naar de baby keek.

"Francisco," zei ze zonder in te gaan op mijn opmerking over de afwezige vader. "Francisco Rosario."

Daarmee was blijkbaar voor haar de zaak afgedaan. Ik besloot dan ook niet verder erop in te gaan, wat had ik er ook eigenlijk mee te maken, het was immers haar zaak, ik was alleen de dokter. Straks zou haar leven verder gaan zonder mij en zou ze voor mij alleen een patiënte hebben betekend zoals zovele anderen.

Enkele dagen verliepen.

Ik had tijdens mijn kraambezoeken aan Maria niets bijzonders opgemerkt. Moeder en kind maakten het goed. Maria zou verder op mijn spreekuur ter controle komen.

Op een avond laat werd ik geroepen bij een patiënte in de buurt waar Maria woonde. Zij had acute buikklachten gekregen. Ik besloot haar direct mee te nemen naar het ziekenhuis. Om te keren moest ik even het zijweggetje inrijden waar het verlaten huisje stond. Op het moment dat ik draaide werden mijn lichten teruggekaatst door de koplampen van een auto die geparkeerd stond voor het verlaten huis. "Ik dacht dat daar niemand woonde," merkte ik op. "Daar woont ook niemand," zei de zuster van de patiënte die met ons meereed. Ze liet erop volgen: "Maar de dokter zet er zijn auto neer."

"Con ta yama e doktu?" vroeg ik. ( Hoe heet die dokter.)

"Min' sa," ( ik weet het niet) zei ze schouderophalend alsof het haar niets schelen kon wie die dokter was.

De zondag daarop gingen we met onze kinderen en een zestal vrienden picknicken aan een baai aan de kust. Het was warm. Een warmte zoals die ieder jaar de regentijd op het eiland voorafgaat. Binnen een paar minuten spartelden onze kinderen al rond in het heerlijke koele water. Wij mannen zwommen verder de zee in tot waar de rotsen uit elkaar weken voor het open water met de hogere golven. We hadden de duikbrillen op en de snorkels om onder water te kunnen kijken naar de prachtige koralen waartussen talrijke vreemde vissen zwommen. Ondertussen verzorgde de tandarts het houtskoolvuur voor de barbecues. Satés, koteletten, kippenpootjes en braadworstjes. Er was bier, er was whisky, er was soda water en ijsklompjes. Het werd een heerlijke ongedwongen eetpartij. We liepen er rond in onze badpakken. De kinderen speelden ertussendoor en renden in en uit het water.

Toen ik mijn bord volgeladen had met gebraden heerlijkheden, ging ik op een aangedreven boomstam zitten in de zon. Even later kwam mijn vriend en collega, Frans, naast me zitten met een glas bier in de hand. We waren samen met onze vrouwen uit Holland gekomen op een boot die de Duitsers nog als schadevergoeding hadden moeten afstaan. We hadden er een kleine veertig dagen over gedaan. Een mooie reis maar wel met hindernissen. Hoe vaak had de boot op de oceaan niet stilgelegen met motorpech die de machinisten altijd weer wisten te herstellen. Soms hadden we de tijd gekort met het vangen van haaien. Een stuk spek aan een touw met een vleeshaak, en een plank als dobber. In Guyana waren we naar de zeekoeien gaan kijken, in Suriname hadden we tochten gemaakt en recepties bezocht. In Trinidad het teermeer en in Venezuela het machtige hotel Tamanaco. Dat was al weer enkele jaren geleden.

Hij was als dokter uitgekomen voor de petroleum maatschappij. Ik voor mijzelf als huisarts. Zijn vrouw Jenny kon het goed met mijn vrouw en de kinderen vinden. Ze waren gek op tante Jenny en oom Frans die zelf geen kinderen hadden. Ze namen vaak onze kinderen mee naar de bioscoop en soms mochten ze mee op de grote boot met buitenboordmotor naar een of andere baai om te stoeien en te zwemmen. Zijn hobby was vooral vissen op zee. Er ging bijna geen zondag voorbij of oom Frans met zijn vrouw kwamen bij ons even aanlopen voor de koffie of voor een borrel. Zij was een knappe blonde vrouw die men haar drieënveertig jaar niet zou aanzien. Hij was de laatste tijd wat mager geworden. Hij rookte veel en hoestte zwaar nu en dan.

"Wat zit je hier toch te peinzen," zei hij met een vertrouwelijke handdruk op mijn schouder.

"Ik denk aan jou," zei ik. "Je moet niet zo veel roken, je verpest je longen, vandaag of morgen is het te laat. Ik zou maar eens een röntgenfoto laten maken als ik jou was. Jij als dokter zou dat zeker moeten weten."

"Goed, ik zal je raad opvolgen en foto's laten nemen. Spottend liet hij erop volgen: "Je moet toch ergens aan doodgaan. En bovendien als ik niet rook ga ik er daar weer aan kapot. Er zijn nog andere dingen die ik liever niet aan Jenny zou willen vertellen."

"Maar vertel nou eens eerlijk, waar zat je nou aan te denken daarstraks?" vroeg Frans, "We kennen mekaar al zo lang en ik zag aan jou dat je iets dwarszat toen je hier alleen ging zitten." We hadden vaak samen onze problemen uit de praktijk besproken, hij zijn problemen bij de maatschappij waar hij werkte, ik als huisarts.

Toen vertelde ik hem van het meisje waar ik de bevalling bij had gedaan en het honorarium. Ik zei: "Wat zou jij gedaan hebben als je geld aangeboden kreeg voor een bevalling en je wist dat het kind van een collega was."

Hij hoestte weer, nam een flinke slok bier, scheen na te denken en zei toen met een stem die schor klonk: "Ik zou me daar niet druk over maken. Ik zou de centen in mijn zak steken en er verder niet over praten."

Het gesprek werd afgebroken doordat Jenny naar ons toekwam met voor ons allebei een heerlijk stokje saté waarvan de pindasaus dreigde af te lopen.

Dus zo dacht hij erover, waarschijnlijk had hij gelijk en wat kon het mij eigenlijk schelen wie de vader was, dokter of niet.

De oplossing zou niet lang op zich laten wachten.

Een paar weken later werd ik midden in de nacht geroepen bij een man in dezelfde straat waar ik de appendicitis patiënt had opgeladen. De diagnose was niet moeilijk. Bij het zien van de angstige, kreunende, in bed kronkelende patiënt zag ik al dat ik met een niersteenaanval te maken had. Ook de zweetdruppels op zijn bleke, van pijn en angst vertrokken gelaat wezen erop. Ik gaf hem een injectie Pantopon waarop hij langzaam kalmeerde. Toen de pijn was gezakt liet ik hem urineren. Het flesje nam ik mee voor onderzoek. Ik beloofde in de namiddag terug te komen.

Weer draaide ik het zijweggetje in om te keren, het zijweggetje met het verlaten huisje, toen mijn lichten terugspiegelden in twee grote koplampen. Nu kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Ik reed langs het huisje van Maria Rosaria. De blinden voor de ramen waren gesloten, alles leek in diepe slaap in de donkere tropennacht. Ik reed verder tot vlak voor de koplampen, toen was het net of ik een klap in het gezicht kreeg. Het was de blauwe Mustang van Frans. Ik kon mij niet vergissen, het was zijn nummerbord. Voorzichtig reed ik terug. Ik draaide het cactusweggetje uit en reed naar huis.

Ik was volkomen overstuur. Hoe moest ik hem zeggen dat ik het wist. Moest ik het spelletje meespelen?

Toen ik thuis in bed lag kon ik niet slapen, ofschoon ik doodmoe was. Ik kon het niet verwerken. Mijn eigen vriend! Hoe was het mogelijk geweest dat hij het met dit meisje had aangelegd. Een meisje dat meer dan vijftien jaar jonger was dan hij. Ik voelde dat deze relatie erge gevolgen zou hebben, niet alleen voor Jenny, maar ook voor Maria. Wat een verdriet stond Jenny te wachten, die altijd een uitstekende zorgzame vrouw voor hem was geweest.

Gelukkig was het al zondagmorgen. Er zouden geen patiënten op me zitten te wachten in de spreekkamer. Toen deed ik wat ik anders nooit gedaan zou hebben na een nacht visite. Ik nam de whiskyfles uit de ijskast, schonk een dubbele hoeveelheid in een glas, deed er ijsblokjes en soda bij en dronk het vrijwel in een teug leeg. Al doezelend schoof ik onder de klamboe. Tegen tien uur werd ik wakker met een behoorlijke kater. De nare smaak in mijn mond maakte mijn stemming er niet beter op.

Mijn vrouw voelde wel dat er iets mis was met mij. Ze zei alleen: "je moet vanmiddag maar een paar uurtjes gaan slapen, want om vijf uur komen Frans en Jenny een borrel drinken."

Ik was blij dat ze verder niets vroeg. Ik was er zeker van dat ze de whiskyfles en het lege glas in de keuken had gevonden. Ze wist ook dat ik nooit gedronken zou hebben als mij niet iets dwars had gezeten. We waren al bijna twintig jaar getrouwd en dan begin je elkaar wel zo'n beetje te kennen, zou ik zeggen.

Maar Frans en Jenny waren ook al twintig jaar getrouwd en toch!

Het was drukkend warm, het leek erop dat we spoedig regen zouden krijgen. De wind die vrijwel altijd uit dezelfde richting kwam was gaan liggen.

Om vijf uur kamen ze voorrijden met de blauwe Mustang. Nadat ze de kinderen hadden begroet kwamen ze bij ons zitten op de gemakkelijke rieten stoelen op de ruime porch. Van hieruit had je een mooi uitzicht op de palmbomen in de tuin. Mijn kater was grotendeels verdwenen, maar toch zag ik er erg tegenop om ze nu te ontvangen. Het was of ik een weerstand moest overwinnen om de hand te drukken die hij mij reikte. Hij zag er slecht uit, hij was op van de zenuwen. Het stompje van de ene sigaret lag nauwelijks uitgedrukt in het bakje of hij stak weer een nieuwe op. Zijn rechterhand beefde. Zijn wijs- en middelvinger waren geel verkleurd. Hij hoestte.

Jenny vertelde dat hij die nacht op zee was geweest om te vissen en dat ze de hele nacht in angst had gezeten omdat hij zo laat thuis was. Maar hij zou motorpech hebben gehad, zijn motor zou het midden op zee hebben begeven. Hij vertelde dat hij er twee uur over had gedaan om de kust te bereiken. Hij was blij dat de zee kalm was geweest.

Ik dacht: je zit te liegen vader; je bent helemaal niet op zee geweest. Je lag bij Maria Rosaria!

Ineens kon ik hem niet goed meer uitstaan, wat een bedriegerij tegenover Jenny! En daar moest ik mijn rol in spelen. Ik stond op om in de keuken uit de ijskast de dranken te halen. Toen ik daarmee bezig was hoorde ik hem ook de keuken binnenkomen.

"Ik moet je wat zeggen," begon hij, "morgen heb ik een röntgen onderzoek aangevraagd. Eergisteren heb ik mijn bloed laten nakijken en de bezinking was erg hoog. Ik geloof dat je gelijk hebt, er is iets mis met mijn longen. Nu en dan voel ik ook wat pijn de laatste weken als ik hoest. Hier zit het, hier!" Hij klopte op zijn borstbeen.

"Zeg niets tegen Jenny, anders wordt ze ongerust, en ze heeft het toch al zo moeilijk met mij de laatste tijd. Ik zou je graag eens willen spreken onder vier ogen, in je spreekkamer. Ik zal je dinsdag na het röntgen onderzoek opbellen. Maar vooral niets zeggen tegen je vrouw en Jenny," zei hij met een vinger op zijn lippen. "Ik kan het niet meer verkroppen, het is erger dan je zou denken!"

Ik kreeg medelijden met allebei toen we weer op de veranda zaten. Daar hadden we 's zondags zulke gezellige uren samen doorgebracht. Ik voelde dat hij over Maria wilde spreken.

Het gesprek tussen ons vieren wilde die avond niet goed vlotten. Het was of met die dreigende sfeer van de kentering van het regenseizoen ook dreigende wolken in ons leven samentrokken.

Dinsdagmiddag belde Frans op. Of hij dezelfde avond nog een gesprek met mij kon hebben? Het was dringend volgens hem. Hij zou de röntgenfoto's meebrengen. Of het kon tegen acht uur.

Ik vertelde mijn vrouw 's avonds dat ik nog wat papieren ging bijwerken in mijn spreekkamer. Om acht uur vond ik hem met een sombere uitdrukking op het gezicht op een van de grote banken in de nu lege wachtkamer. Naast hem lag een grote enveloppe met de röntgenfoto's. Even later zaten we tegenover mekaar aan mijn bureau.

"Nu ben ik je patiënt," zei hij, "zo moet je ook deze visite beschouwen. Ik wil eens eerlijk met je praten, ik ben ziek op allerlei gebied. Het is goed mis met mij. Laat ik maar direct met de deur in huis vallen! Op de eerste plaats dit hier." Hij reikte mij de röntgenfoto's. "Hou ze maar eens tegen het licht. Hier die schaduw, links naast de splitsing van de luchtpijp." Inderdaad het was goed te zien, een gezwel in de linkerlong, duidelijk longkanker. Een grote schaduw van een uitgebreid gezwel.

"Jij hebt meer ervaring dan ik," zei hij, "maar er is hier maar één conclusie uit te trekken. Het is bekeken met mij!"

Ik probeerde hem nog wat hoop te geven door hem te wijzen op de mogelijkheid van een operatie, bijvoorbeeld het wegnemen van zijn linkerlong. Ik wees hem erop dat ik een patiënt had die twee jaar geleden een dergelijke operatie had ondergaan en die het nu goed maakte.

Dat had de chirurg hem ook gezegd, hij had hem aangeraden naar Nederland te gaan naar een speciale kliniek voor longoperaties. Ik raadde hem aan om zich daar tenminste te laten onderzoeken.

"Jij hebt goed praten," zei hij. "Jij rookt niet, jij hebt geen moeilijkheden in je familie." Hij keek me somber aan en zei: "ik denk soms, zou het niet beter zijn om dood te gaan, of er zelf een eind aan te maken."

Toen vroeg hij: "wat denk jij, zou ik Jenny op het ergste moeten voorbereiden?"

"Dat zou ik niet doen," antwoordde ik. "Je kunt beter Jenny meenemen naar Holland om de uitslag van het onderzoek af te wachten alvorens je haar ongerust gaat maken. Weet ze de uitslag van het röntgenonderzoek?"

"Neen dat wilde ik haar vanavond nog mededelen; eerst wilde ik jouw opinie nog horen."

Hij was even stil, stak toen met bevende handen een nieuwe sigaret op.

"Je ziet het," zei hij, "ik kan het niet laten!"

Twee dagen hoorde ik niets van Frans. Toen belde hij op en vroeg of hij 's avonds weer even langs kon komen voor iets heel belangrijks tussen hem en mij, een delicate affaire.

Het was vrijdagavond. Met lood in mijn schoenen deed ik de deur naar mijn wachtkamer open. Ik had Jenny ook verwacht, maar hij zat somber alleen in de grote lege ruimte.

Aan mijn bureau hoorde ik hem in zichzelf mompelen: "Het kan mij totaal niets meer schelen." Toen stak hij een sigaret op en zei: "Ik ben gekomen om je te vragen iets voor mij te willen doen, maar eerst moet ik je iets vertellen wat me allang dwars heeft gezeten. Niet wat Jenny betreft. We gaan volgende week naar Holland met het vliegtuig. Maar ik heb haar goede hoop gegeven voor mijn operatie en ik geloof dat ze nu over het ergste heen is. Ik kom voor heel iets anders."

Ik voelde het aankomen, het ging over Maria Rosario.

Even stokte zijn stem. Toen keek hij me recht in de ogen en zei, als in een zelfbeschuldiging: "Ik heb een kind, een heel lief kind, hier in de stad en jij kent dat kind en de moeder. Maria Rosario. Die zondag aan de baai had je het over het honorarium van de bevalling. Welnu, die dokter ben ik."

Ik zei niets, hij moest me zelf maar alles vertellen.

"Ik had haar verboden om te zeggen wie de vader was. Ze wilde persé bij jou bevallen, een goede vriend van mij. Hoe was het mogelijk. Ik weet zeker dat je het geld niet zou hebben aangenomen als je geweten had dat Francisco van mij was. Maar laat ik een inzicht geven in mijn leven zodat je alles beter zult begrijpen."

"Jij denkt dat ons huwelijk gelukkig is. Je vergist je. Ongelukkig ook niet direct, maar om je de waarheid te zeggen, ik ben nooit verliefd op Jenny geweest. Het is een grove vergissing geweest van mij. Ik ben vroeger verliefd geweest op een meisje dat aan tuberculose leed en gestorven is. Jenny verpleegde haar. We zijn later getrouwd. Ik geloof dat Jenny wel erg verliefd op mij was en dat zij nog van me houdt, maar ik ben toch altijd naast haar blijven leven. Het was misschien allemaal anders geweest als we kinderen hadden gekregen, maar Jenny kon geen kinderen krijgen en dat heeft altijd tussen ons gestaan."

"Een jaar geleden ging ze naar Nederland, zoals je weet, omdat haar moeder toen ernstig ziek was. Ik was aan vakantie toe en ging naar Caracas. Daar woonde ik in een klein hotel in een van de buitenwijken. Elke dag ging ik lunchen in een klein restaurantje waar ik goede koffie en bocadillas (kleine broodjes) kon krijgen. In dat tentje werkte Maria Rosario. Ze had iets bijzonders dat meisje, haar figuur, haar statige gang, haar mooie donker ogen, haar prachtige haar en haar mooie lichtgebruinde gave huid."

"Ik geloof dat ik van de eerste dag af al verliefd op haar was. De rest kon niet uitblijven. Als ze vrij had gingen we naar de bioscoop of we gingen ergens dineren. Soms in mijn hotel, daar bleef ze dan wel eens bij mij slapen. Haar moeder scheen geen bezwaren te hebben tegen onze verhouding. Ik stopte haar nu en dan geld toe, want ze had me verteld dat zij bij haar moeder in een arme buurt woonde."

"Op een avond vertelde ze mij dat ze zwanger was. Ik was even geschrokken, maar daarna doorstroomde mij het gelukkige gevoel dat ik vader zou worden. Toen zijn de problemen begonnen. Ik hield van haar, ik kreeg van haar wat ik bij Jenny altijd had gemist; hartstocht en liefde. Ik was wel vijftien jaar ouder, ik had bijna haar vader kunnen zijn, maar het deerde haar niet. De tijd ging voorbij, ik moest terug naar het eiland. Ik heb toen lang met haar moeder zitten praten; als ik Maria wilde houden was de enige oplossing dat ook zij met haar moeder naar het eiland overkwam en ergens, ver van Jenny vandaan een klein huisje zouden kunnen betrekken."

"'s Zaterdagsnachts bracht ik bij haar door, ik ging dan zogenaamd vissen in mijn bootje met de buitenboordmotor. Ik kocht dan vis van een kennis uit Boca San Michiel. We hadden dat nog lang kunnen volhouden als dít er niet tussen gekomen was." Daarbij sloeg hij zich weer met de vuist op de borst. "En nu ga ik naar Holland, heel waarschijnlijk kom ik nooit weer terug. Om Jenny maak ik me niet druk, die krijgt mijn pensioen en verzekeringen."

Op een toon van zelfverwijt ging hij door: "Ik ben ontzettend dom geweest, maar ik was straalverliefd op dat meisje en nu zit ik vast. Ik zou van Jenny kunnen scheiden en met Maria trouwen, maar hoe kan ik dat Jenny aandoen, ze is altijd zo goed voor me geweest. Ik zit tussen twee vuren. Zonder Maria kan ik niet leven, en Jenny kan ik geen pijn doen."

"Maar Maria en Francisco … Jij alleen weet dat ze hier van mij afhankelijk zijn, terwijl ze in Venezuela voor zichzelf konden zorgen, ook al was het armoede geblazen. En nu kom ik je de dienst vragen waar ik het over had, een vriendendienst, waar ik je straks niet meer voor zal kunnen bedanken."

Hij haalde een pakje bankbiljetten uit zijn zak en legde ze voor me neer. "Hier is vijfduizend gulden voor Maria als ik weg ben. Vraag haar om terug te gaan naar Venezuela, want wat er ook gebeurt het zal niet meer zijn als vroeger. En als ik niet terugkom, zeg haar dan dat ik heel veel van haar heb gehouden."

Ik vond het nogal gek dat hij zelf dat niet tegen haar zou zeggen en ook dat hij dat geld niet zelf aan haar gaf. Daarom vroeg ik: "Ga je dan zelf niet meer naar Maria?"

Hij schudde langzaam verdrietig met het hoofd, terwijl de tranen in zijn ogen blonken. "Nee," zei hij met gebroken stem, "ik kan het niet." Toen we op de porch stonden zagen we dat de lucht veel donkerder was geworden. Er zat onweer, het weerlichtte in de richting van de bergen van Venezuela, die wij op heldere dagen konden zien liggen. Die nacht barstte het onweer los boven het eiland. Het begon met heftige windstoten die om het huis gierden. Ik werd wakker van de regenvlagen die kletterend op het dak en tegen de shutters sloegen. Een hevige donderslag kondigde de nieuwe regentijd aan. Toen ik opstond keek ik naar de palmbomen wier takken door de hevige wind allemaal dezelfde richting uit werden gezogen. De regen overspoelde de straat voor ons huis. Even later viel de elektriciteit uit. Het was een echte tropische regenbui, een echte felle storm.

Tegen negen uur werd ik opgebeld door de politie. Of ik spoedig naar de Zwarte Rotsen wilde komen. Er was een man verdronken.

Toen ik buitenkwam leek het of het hele eiland was schoongespoeld. De regen had opgehouden. Een angstig voorgevoel beklemde me toen ik in de auto stapte.

In de buurt aangekomen waar bij slecht weer het hoge water van de zee opspatte boven de breuk van de afgebrokkelde rotsen, zag ik de politieauto en de ambulance staan, samen met een tiental toeschouwers. Allen tuurden naar het schouwspel diep beneden hun aan de zee.

En daar lag Frans. Hij lag op zijn rug op een zwarte rots. Zijn handen bengelden in het water. Krabben kropen over zijn lichaam. Zijn boot moet met grote snelheid op de rotsen zijn gelopen, die hier de kleine baai van de open zee afsluiten. De motor lag boven op een andere rots. De boot lag versplinterd op en over het rif. Hij moet eruit zijn geslingerd want hij lag een twintig meter verder tegen de voet van de rotsen die hier loodrecht afdalen in de zee. Hij moet op slag dood zijn geweest. Ik zag geen reddingsgordel of zwemvest. Ik wachtte tot ze hem met lange touwen naar boven hadden gehesen. Toen kon ik de dood constateren voor de overlijdens- papieren.

Wat er toen door me heenging kan ik moeilijk beschrijven. Was het een ongeluk geweest? Was hij toch uitgevaren in de gemoedstoestand waarin hij verkeerde, was hij door het onweer verrast of had hij dat slechte weer juist gezocht? Met andere woorden, was het een van tevoren geplande zelfmoord? Waarom dat geld voor Maria de avond tevoren. Waarom dat antwoord op mijn vraag waarom hij niet zelf naar Maria ging, waarop hij op droevige toon had geantwoord: "Ik kan het niet "?

Ik vond dat het mijn taak was om het aan Jenny te vertellen.

Ze zat weggedoken in een stoel op de veranda. Ik had diep medelijden met haar. Ze zag aan mijn gezicht dat ik geen prettig bezoek kwam afleggen.

Ze zei: "Waar zou Frans zijn? Hij zei dat hij naar jou ging gisteravond, maar daarna heb ik hem niet meer gezien. Hij gaat nooit naar zee zonder me goede dag te zeggen. En het was zo'n slecht weer vannacht, ik heb de hele nacht opgezeten en gehuild. Is er iets met Frans gebeurd? Is hij misschien toch naar zee gegaan? Wat kom je me vertellen? Een ongeluk misschien op zee?"

Ze stond op. Ik knikte van ja en zei toen: "Inderdaad, Frans is vannacht uitgevaren en vanochtend hebben ze hem gevonden, hij lag dood op de Zwarte Rotsen."

Ze kromp in mekaar. Ze liet zich terugvallen in de grote stoel. Ik wachtte even. Daarop vertelde ik haar hoe ik hem gevonden had. Stilte viel op de veranda. Onder ons lag het landschap van talrijke, door de wind in dezelfde richting gebogen divi-divi bomen. Daaroverheen in de verte zag je de zee naar de kust toe rollen.

Ik kon Jenny niet troosten. Ik had haar ook onmogelijk de waarheid kunnen zeggen.

Na een poos van stilte zei de snikkende Jenny: "Ik kan je met woorden niet uitdrukken wat ik geleden heb als hij 's nachts weg was met de boot. Uren en uren heb ik opgezeten, en dan nam ik de fles met whisky om me te kalmeren, tot ik hier op de veranda met zware hoofdpijn in slaap viel. Je wist niet dat hij vorige week zaterdag bijna door een tanker is overvaren. Hij bleek plotseling in de vaarweg van een tanker te zitten en toen weigerde de motor. De tanker schijnt vlak langs hem heen gegaan te zijn. Een ogenblik dacht hij dat het bootje door de golven om zou slaan. Hij heeft het me zelf verteld."

"Er was allang iets met Frans," zei ze snikkend, "jullie hebben het niet gemerkt. Ook voordat die röntgenfoto's kwamen, maanden daarvoor al, toen ik uit Holland terugkwam. Hij was veranderd, het was alsof hij iets voor mij verborgen wilde houden. En toen met een lange snik: "Het was soms of hij niet meer van me hield!" Met een gebroken stem zei ze na een pauze: "Ik heb hem geen kinderen kunnen geven, misschien is het dát geweest. Hij was zo jaloers op jullie."

Het leek of ze door een hevige pijn werd aangegrepen. Ze greep met de hand op de borst en schreeuwde snikkend, gemarteld door verdriet: "Hoe kon hij dat doen? Was ik er dan niet om hem te helpen? Het is beslist zelfmoord. Hij had zich toch kunnen laten opereren? We hadden misschien nog vele jaren samen kunnen door brengen."

Voorzichtig merkte ik op: "misschien is het toch een ongeluk geweest."

"Nee," wierp ze tegen, "het is geen ongeluk geweest, de kust waar hij anders ging vissen ligt aan de andere kant."

Ik wist niet wat te zeggen, ik ben geen goeie trooster. Ineens keek ze me recht aan en zei bijna opvliegend: "Maar jij, jij weet er meer van, denk je dat ik niet wist dat hij je alleen wilde spreken om je zijn zorgen te vertellen. Waarom mocht ik niet meegaan die avond terwijl we altijd samen naar jullie toegingen. En gisteravond is hij ook nog naar jou toe geweest, zeg eens dat het niet waar is!"

Even was er stilte. Toen bracht ik er aarzelend uit: "Ik geloof dat het voor Frans beter is dat hij dood is met zo'n gezwel in zijn borst."

Geschrokken keek ze me aan alsof ze in mij diep ontgoocheld was.

"Frans had geen kans." ging ik door, "Zelfs al zou de operatie gelukt zijn, dan was het alleen maar een uitstel geweest naar een lange ellendige lijdensweg. Daarom is Frans bij mij gekomen om daarover te praten. Waarschijnlijk hadden ze hem niet eens meer geopereerd in Holland," zei ik.

Neen ik kon Jenny niet troosten; ik kon haar onmogelijk de waarheid vertellen. Dat zou het alleen maar erger hebben gemaakt en een geslagene een trap toe hebben gegeven. Ze bleef alleen achter met haar verdriet op het bordes waarvandaan ze in de verte de zee kon zien waarin haar man was omgekomen.

Er was nog iemand aan wie ik het treurige nieuws moest mededelen. Dat was Maria.

Ik trof haar aan in een schommelstoel op de veranda. Het kind lag te slapen op haar schoot. Het was voor haar een volkomen verrassing dat ze mij zo plotseling binnen zag komen. Ik dacht dat ze het nieuws al gehoord had, maar ze wist van niets. Heel voorzichtig begon ik haar te vertellen dat ik die ochtend geroepen was bij een ongeluk met een vissersbootje in de baai met de hoge rotsen. Ze barstte uit in tranen al voor ik de naam van Frans had genoemd.

"Ik had een angstig voorgevoel." zei ze schreiend, "Ik heb hem de hele nacht niet gezien. Hij gaat nooit naar zee zonder afscheid van mij te nemen."

Ik dacht mismoedig bij mezelf: dat zei Jenny ook! Toen vertelde ik haar voorzichtig dat Frans de avond voor het ongeluk nog bij me was geweest en mij alles van haar en het kind had verteld. Toen ik uitgesproken was over het ongeval vroeg ik Maria wat ze nu dacht te gaan doen. Zou ze hier blijven op Curaçao of wilde ze teruggaan naar Caracas?

"Hier blijf ik niet." zei Maria. "Hier kan ik niet blijven, nadat dit is gebeurd. Ik ga terug naar Caracas waar ik met mijn moeder kan wonen."

Ik zei haar toen dat Frans mij voor haar een som geld had gegeven voor het geval dat hij de operatie in Nederland niet zou hebben overleefd en dat hij het het beste vond dat dan zij terugging naar Venezuela waar ze in ieder geval een bestaan kon opbouwen. Daarbij legde ik de envelop met geld voor haar neer. Ik zei haar ook dat hij mij had gevraagd om haar te zeggen dat hij heel veel van hield.

Ze was zo overweldigd door verdriet dat ze de envelop niet leek te zien.

In een tweede envelop zat het geld van de bevalling dat ik haar teruggaf omdat ik dat niet van een collega mocht aannemen. Ik deed er nog een derde enveloppe bij, waarop mijn adres stond. Als ze ooit in moeilijkheden zou komen in Caracas zou ik haar altijd te hulp komen. Ze hoefde me dan alleen maar een brief te schrijven.

Ik bleef zeker een half uur bij haar zitten omdat ik zo'n diep medelijden met haar had. Ze hield de kleine aan haar borst gedrukt. "Mi corazon." liet ze zich zo nu en dan ontvallen, "Que Dios nos ayuda." (Mijn hart, dat God ons helpe.)

Dat beeld van Maria en Francisco is lang in mijn geheugen blijven hangen.

 

Op een zondagmiddag brachten we Jenny weg naar de Castel Bianco, een groot Italiaans passagiersschip. Matrozen waren op het voorschip bezig om een blauwe Mustang te verankeren. Het was een drukte van belang. Veel kennissen van Frans en Jenny waren gekomen om haar vaarwel te zeggen.

We kwamen te zitten in een stille hoek. In de grote zaal werden onder overvloedige dranken en grote uitbundigheid familieleden of vrienden van de passagiers uitgezwaaid. Maar in de hoek waar wij met Jenny zaten was de stemming opmerkelijk gedrukt. Jenny schreide. Nu en dan hoorde ik iemand zeggen: "hou je goed Jenny!" Maar ik wist dat het heel lang zou duren voor ze een beetje over haar verdriet heen zou zijn.

Toen de tweede stoomfluit de bezoekers aanmaande om te vertrekken kwam ze naar me toe, drukte mijn hand en zei: "Ik kan je niet genoeg bedanken voor alles wat je voor Frans en mij hebt gedaan."

Ik dacht: "Je moest de waarheid maar eens weten. Wat zou je van me denken als je het ooit te weten kwam van Frans en Maria." Ik had het gevoel dat ik niet eerlijk was geweest tegenover haar, maar wat had ik anders kunnen doen dan me te houden aan mijn belofte aan Frans.

Toen het grote hoge schip zich langzaam in beweging zette en van de wal afschoof, stond ze op het achterdek, wat verloren aan de witte reling. Ze was in een witte jurk gekleed. De bruine krullen waaiden in de wind om haar bleke gezicht. Ze zwaaide met een hoofddoek. We bleven wuiven tot de boot aan de uitgang van de haven opgenomen werd door de hoge deining. Toen verdween hij links achter de hoge ruige muren van het eeuwenoude fort. In de verte lag de groen-blauwe zee te schitteren in de felle zon.

De volgende dag vertrok ook Maria met moeder en kind in een eenvoudig fruitbarkje. Er was niemand om hen uit te wuiven. Ik was zo dicht mogelijk langs de kade gaan staan opdat ze me zien zou. Lang hoefde ik niet te wachten. Ik hoorde het eentonige ploffen van de een-cilinder motor weerklinken over het water. De schipper stond in de stuurhut; hij had zijn handen aan het stuurwiel. Zijn helper stond op de voorplecht met de handen in zijn zakken uit te kijken. Voor de stuurhut was de grote ruimte waarin fruit en groenten uit Venezuela werden aangevoerd, maar nu was die ruimte bezet door spullen van de gelegenheidspassagiers voor Venezuela. Een groot zeildoek over een frame van stalen buizen gespannen overdekte een deel van de laadruimte.

Onder dat zeil zaten twee vrouwen. De jongste was Maria met de mooie zwarte haren. Ze had een kindje op haar schoot. Ze droeg een witte jurk. De andere vrouw was ouder. Ze was in het zwart gekleed. Haar hand hield ze op een grote zak die naast haar op de bank lag. Achter in de boot tegen de stuurhut stond rechtop, overspannen met een laken, maar toch duidelijk herkenbaar de grote ladekast waarop ik het Mariabeeld met de rozen had gezien toen ik voor het eerst bij Maria binnenkwam. Ook zag ik enkele omgekeerde stoelen, keukengerei, een petroleumlamp en andere huishoudelijke voorwerpen.

Ze voeren langzaam voorbij. De een-cylinder motor leek eentonig op het water te kloppen. Het 'plok-plok-plok' klonk vreemd ver weg in de slaperige hitte van de middag.

Ik riep uit alle macht: "Adios Maria, que le vaya bien!"

Toen keek ze op en zag mij staan. Ze wuifde met haar hoofddoek, maar op dat moment werd het barkje plotseling gegrepen door de deining van de zee buiten de haven. Het draaide naar rechts en verdween achter de dikke muur aan de overkant in de richting van Venezuela.

Van Maria Rosario heb ik nooit meer iets gehoord.