GEDICHTEN

De laatste tand

 

gebaseerd op de herinneringen van C.E. Pernot

 

Mijn oma was een lieve vrouw
ik hield zóveel van haar.
Ik was haar eerste kleinkind toen
en nauwelijks een paar jaar.

 

Het liefste wild'ik bij haar zijn
ze nam me overal mee.
Ze knuffelde en verwende mij
we deelden wel en wee.

 

Ik vertrouwde haar snoepgoed en geld
en mijn geheimen toe.
Ze luisterde altijd naar mij
ze werd dat nimmer moe.

 

Verzot was ik op rijstebrei
daarop een laag kaneel.
Daar deed ze 'n lepel suiker op
en als ik 't vroeg... héél veel.

 

Toen werd mijn moeder heel erg ziek.
Ze kon geen werk meer doen.
Ik werd bij oma uitbesteed,
dat vond ik heerlijk toen.

 

Wat later nam oma mij mee
naar huis, naar moeder toe.
Die lag héél stil, héél bleek in bed
héél uitgeput en moe.

 

Wat 'k daarna op mijn kamer zag,
kwam over mij als lood.
Een heel klein kindje als een pop,
heel mooi was zij... maar dood!

 

Mijn zusje was bij d'engeltjes
zei oma tegen mij.
Die aten met gouden lepeltjes
aan een berg van rijstebrei.

 

'Daar moeten wij dan ook naartoe'
zei ik heel eigenwijs.
Ik gunde oma óók zo graag
het hemels paradijs.

 

'Wanneer ga jíj dood?' vroeg ik haar
half zittend op haar schoot.
Ze zei: 'Als ik géén tand meer heb
lief kind! Dan ga ik dood.,,

 

Na zeuren en gevlei liet zij
mij kijken in haar mond.
Een viertal lange tanden nog
was alles wat er stond.

 

Wat later mocht ik kijken weer
die lieve oma toch!
voorlopig ging ze nog niet dood
ze had twee tanden nog.

 

Maar omaatje werd ernstig ziek
Ze kreeg pijn in haar zij.
Compres en kruiken hielpen niet
De dokter kwam erbij.

 

Die keek en zei: 't is rheumatiek
dat komt ergens vandaan.
Die linker tand is veel te slecht
Die laat ik daar niet staan.

 

't Werd niet beter naderhand
mijn oma wist het wel.
Ze voelde zelf al in haar zij
het dodelijk gezwel.

 

Verdrietig zat ik steeds bij haar,
mijn handje in haar hand
Ik keek steeds naar die spitse mond
En naar die laatste tand.

 

En op een morgen lag die tand
naast oma op de grond.
De arme vrouw lag daar al uren
dood, voordat ik haar vond.

 

Ik zag haar, boven aan de brei
met lepeltjes van goud.
De engeltjes op een rij erbij
in een heel mooi lichtend woud.

 

----------------------------------------

 

Ik ben nu ook een oude vrouw
van bijna tachtig jaar.
Mijn eigen kinderen hebben al
een hele kinderschaar.

 

Nu heb ik zelf vier tanden nog
daar hangt m'n gebitje aan.
Wie weet als straks de laatste valt
is 't ook met mij gedaan.

 

Mijn oma staat steeds voor mijn geest
bij 't denken aan mijn graf.
En aan die reis in d'eeuwigheid.
Ik vraag mij wel eens af......

 

Die rijstebrei heeft afgedaan
ik kan die niet meer zien!
Maar gouden lepels en engeltjes
zou dat waar zijn.......misschien?

 

J.H.Frenken