GEDICHTEN

De lieve kat met de snor.

 

Bij Oma hadden ze een kater
Die kater heette Piet
Hij had een hele mooie vacht
Een mooire vind je niet.

 

En Piet had ook een lange snor
Daar ving hij muizen door,
Die snor wees hem de weg in 't donker
Zo volgde hij ieder spoor.

 

Maar als een kat de snor kwijtraakt
Dan vangt ze niemandal
Dan hebben de muizen reuzefeest
Dan zit de kat in de val...

 

De broer van Oma had op een dag
Die snor wat bijgetipt.
Er bleven alleen wat harde stoppels
De rest was afgeknipt.

 

En kort daarna liepen de muizen
Al om de kater heen.
Eén muis zat zelfs al op zijn schouder
Een andre op zijn been.

 

En Oma's vader zei: 'Dat kan niet,
Zo'n kat die wil ik niet.
Die muizen moeten opgeruimd,
en anders weg met Piet.'

 

Hij nam toen op een morgen vroeg
De kat mee op de fiets.
En bracht hem ver naar Duitsland toe
De andren zei hij niets.

 

Uren reed hij door de velden
Piet in een mandje achterop
's Middags in de donkre bossen
Dacht hij: 'Zo hier is het stop.'

 

Hij zette de poes alleen in 't bos
ging er toen heel snel vandoor.
Piet werd bang, begon te rillen
en kroop diep in een voor.

 

's Avonds toen het donker werd
schreeuwde een grote uil in 't bos.
De kater werd zo vreeslijk bang
Dat hij wegkroop in 't mos.

 

Gelukkig werd het gauw weer licht
Dat Piet weer door kon lopen,
Hij heeft toen verder dagenlang
Gesprongen en gekropen.

 

Eens was hij de richting kwijt
Hij dwaalde en dwaalde vele dagen.
Van narigheid wist Piet geen raad.
Geen kat om daar de weg te vragen.

 

En eten kreeg hij bijna niet.
Met weerzin soms een slak
Een rups, een vlinder, een hagedis,
Een vogeltje op een tak.

 

Hij werd magerder dan mager
En soms leed hij erge dorst
Hij dronk aan plassen op de wegen
Kreeg pijn van 't lopen in de borst.

 

Hij liep al meer dan veertien dagen
Toen gooide een jongen een steen.
Die trof hem hard en pijnlijk
Achter aan zijn been.

 

Hij kon nu bijna niet meer lopen.
Kruipend trok hij verder maar,
Bang voor mensen bang voor honden,
O wat was dat vreeslijk naar.

 

En toen eensklaps zag hij 't kerkje
Hij wist toen weer waar zijn woning stond
En even later liep hij miauwend
Onder 't keukenraam in 't rond.

 

Op die morgen hoorde Oma
Die vroeg naar school wou gaan,
Samen met haar broer en zusje
't gejank van de kater aan.

 

Een kreet van blijdschap steeg omhoog,
Toen hem open werd gedaan.
Ocharm die Piet was vuil en mager
Diep kermend kwam hij daar aan.

 

Maar ze waren zo blij met Piet de kater
Dat hadden ze nooit gedacht
Dat hun poes nog eens thuis zou komen,
Dat hadden ze nooit verwacht.

 

En ze zetten een melkkan voor hem neer
En ze maakten van vlees een koek.
En hij kreeg een kussen om te rusten
Achter de kachel in een warme hoek.

 

En ze huilden van blijdschap,.. ook de kater
Hij sliep heel lang, met zacht geknor.
Muizen heeft hij nooit meer gevangen
Hij leefde nog jaren zonder SNOR.

 

J.H.Frenken