VERHALEN ALS ARTS

EUTHANASIE.

 

Het was op een hete namiddag dat zij bij mij werd binnengebracht in de spreekkamer, half gedragen door haar dochter. Een arm uitgeteerd vrouwtje van een jaar of vijftig.
Heel langzaam kwam ze binnenstrompelen op haar magere beentjes. Het leek of ze ieder ogenblik in elkaar kon zakken. Doodvermoeid bewogen de gele ogen in de donkere uitgeholde oogkassen. De kracht om te spreken kon ze nauwelijks opbrengen.

Ze was opgenomen geweest in het ziekenhuis onder de diagnose "maagkanker". Toen ze voelde dat ze sterven ging was ze 's nachts naast het bed op de grond gaan liggen, volgens de gewoonte van het eiland. Als iemand in bed stierf mocht dat bed niet meer gebruikt worden, want dan zat de 'geest' er in en moest het worden verbrand. De nachtzuster had haar zo gevonden en het hoopje mens weer teruggelegd op de witte lakens.

Toen ze de volgende ochtend weer op de grond lag en zij te kennen gaf dat ze liever thuis op de grond wilde sterven, had met haar familie gewaarschuwd om haar te komen halen. Daar ze op weg naar huis langs mijn spreekkamer kwamen, wilden ze de ontslagbrief uit het hospitaal maar meteen aanreiken. Er stond niet veel in aan woorden, het was maar een beleefdheid omdat ze mijn patiënte was geweest. 'Maagcarcinoom. Terminale stadium. Op eigen verzoek ontslagen. Colegialiter,' etcetera. Met de hulp van haar dochter werd ze op de onderzoek bank gelegd.

Ik wilde toch iets doen. Ik luisterde met de stethoscoop naar de hartslag. Voorzichtig schoof ik mijn hand over haar maagstreek boven het gezwel. Het voelde aan als een handgrote harde knobbelige aardappel. Ze had morfine poeders van het hospitaal meegekregen voor het geval dat ze erge pijn zou krijgen. We spraken af dat ik de volgende avond langs zou komen.
Een diep medelijden overviel mij toen ik haar uitliet.
Oververmoeid, kromgebogen door wekenlang lijden en uitputting, hing ze om de nek van haar dochter. Ze sleepte zich voort in een oude, veel te wijd geworden, kleurloze jurk die om haar magere benen zwabberde.

 

De dag daarna had ik 's middags een druk spreekuur.

Ik probeerde mij er zo snel mogelijk doorheen te worstelen, omdat er nog verschillende huisbezoeken op het programma stonden onder andere bij bovengenoemde patiënten. Maar het scheen mij niet te lukken. Telkens als ik een patiënt uitliet verraadde een blik in de wachtkamer dat er weer anderen waren bijgekomen.

Plotseling werd er op de deur van mijn spreekkamer gebonsd. Onbeleefd heftig. De assistente deed de deur op een kier open. Een zware mannenstem hoorde ik opgewonden zeggen, dat de dokter onmiddellijk moest komen. Ik dacht aan een ongeluk. Hij werd binnengelaten in de kamer van de assistente. Het was een boom van een kerel met een gezicht dat ik niet gauw zou vergeten, niet alleen vanwege dit verhaal, maar door het feit dat hij in zijn bovenkaak alle snijtanden miste en daardoor aan Dracula deed denken. Hij sliste. Hij vertelde dat zijn moeder overleden was. Zijn optreden wekte al direct een weerstand in mij op. Ik aarzelde. Ik moest direct komen, want het was al drie uur en om zes uur uiterlijk moesten de papieren op het gemeentehuis zijn, anders kon moeder de volgende dag niet begraven worden.

Inderdaad was er in vele warme landen een wet dat onder normale omstandigheden een lijk niet langer dat 24 uur boven de aarde mocht liggen vanwege de snelle ontbinding door de hitte.
"Maar man," zei ik, "kunnen die papieren dan niet wachten tot morgen? Ken ik uw moeder?"
"Jazeker, dokter. Zij was gisteren bij u met mijn zuster toen ze uit het hospitaal kwam. Ze was uw patiënte, dokter."
"Maar als uw moeder toch dood is, kan ik dan niet straks komen, na mijn spreekuur? Het zou nog net kunnen, met de papieren."
"Neen dokter, dat kan niet," drong hij huilend aan, "we hebben de hele familie al gewaarschuwd voor de begrafenis, ze moeten helemaal van de andere kant van het eiland komen, en ze zijn al onderweg. We kunnen ze niet meer bereiken. Kom alsjeblieft mee, dokter!" Als in wanhoop sloeg hij de handen tegen elkaar en herhaalde op klagende toon: "kom nu direct dokter. Het is dringend. Het kán niet uitgesteld worden, geloof mij! De hele familie is onderweg. Wij hebben al rouwkleren gehaald en eten en drank ingeslagen voor morgen."
Ik voelde er niets voor, maar hij hield zó aan. Ik ging maar met hem mee. Ik zou toch niet meer rustig hebben kunnen werken. Er leefde zoveel onder deze mensen waar ik met mijn verstand niet bij kon.

We stapten in de auto en reden naar een stoffige veldweg tot aan een heuvel in de 'kunuku'. Vandaar moesten we lopen. De hete zon, hoog aan de hemel, wierp bijna loodrecht onze schaduw op het rotsige pad. Tussen hoge grijze cactussen, distels en doornstruiken klommen we naar een felgeel geverfd huisje dat bedekt was met roestige golfplaten. In de hitte van de middag lag het te bakken tegen de zilverblauwe hemel. De luiken waren dichtgetrokken als teken van rouw.

Het hemd kleefde aan mijn lichaam. Zweetdruppels prikkelden in mijn nek. Een paar magere geiten stoven voor ons weg in de dorre doornstruiken. In de voorkamer zag ik in het halfduister de dochter zitten die de vorige dag bij mij was geweest. Verder waren enkele vrouwen en kinderen. Ze namen me zwijgend op toen ik binnenkwam.

De man liep mij voor naar een zijkamertje. De gesloten luiken lieten een vage schemering door. Een zwoele benauwde lucht kwam mij tegemoet.

Aarzelend voldeed hij aan mijn verzoek om de luiken open te doen. Op een provisorisch in mekaar getimmerd bed lag het armzalig hoopje mens van de vorige dag. Dezelfde oude jurk nog om de uitgemergelde benen. Alleen was haar hoofd nu omwonden met een doek die haar hele gezicht bedekte. Twee punten van de doek waren van achter naar voren om de hals geslagen. Boven het strottenhoofd waren ze samengebonden in een knoop.
Ik begon de knoop los te maken. De man protesteerde.
"Dat hoeft toch niet dokter, zij is écht dood en dan moet het gezicht altijd bedekt worden met een doek."
Ik liet me niet tegenhouden ook al leek ze niet meer te leven.

Een mager uitgehold gezichtje lag voor me onbeweeglijk op het kussen. Met twee vingers trok ik de oogleden uit elkaar. Met de wijsvinger van de andere hand drukte ik zachtjes midden op de oogbal. Ze knipperde even…..

Daarna zette ik de stethoscoop boven het hart op de borstkas die alleen nog maar uit vel en skelet bestond. Ik hoorde het hart heel zacht en langzaam kloppen. Ademhaling was er nauwelijks.
"Uw moeder is niet dood," zei ik, terwijl ik me oprichtte. "Ik kan toch geen papieren afgeven als zij niet dood is."
Ik hoorde hem nog zeggen: "Ja maar dokter, dat kán toch niet. De familie is al onderweg en……".
Zonder om te kijken liep ik, mijn opwellende boosheid verdringend, het pad af naar de auto. In de wachtkamer was het aantal patiënten flink uitgedund. Ongeduldig geworden waren sommigen naar huis gegaan, anderen naar een andere dokter. Mijn humeur was er niet beter op geworden.

Ik was net met mijn tweede patiënt bezig toen er opnieuw brutaal hard op mijn deur werd geklopt.

"Die man is er weer," zei de assistente, "u moet direct komen zegt hij."
De grote kerel had weer zijn handen tegen elkaar geslagen. "Dokter," sliste hij, "nu is ze zéker dood. Het kan nog nèt met de papieren."
Wat moest ik doen. Ze was mijn patiënte geweest. Ik kende de doodsoorzaak. Toen ik haar nog geen uur geleden gezien had was ze al vrijwel dood. Mijn spreekuur was toch vergald. In een weerbarstige sombere stemming nam ik maar weer mijn tas met instrumenten en papieren. We reden zwijgend naar de heuvel.

Een deel van de familie was er al bijgekomen. De stoelen die overal langs de wand waren geschoven bleken al bezet met mannen en vrouwen in sombere kleren. In de warme halfdonkere ruimte heerste een gedrukte stemming. Ik vroeg hem weer de blinden te openen. Daarna maakte ik de dek los van het koud aanvoelend gezicht. Er was geen oogreflex meer. Het hart stond stil.

Ze was echt dood.

Even liet ik mijn hand gaan. Het leek nog groter en knobbeliger dan gisteren. Toen ik de doek terug wilde slaan over het magere maskergezicht zag ik plotseling iets vreemds aan de hals links en rechts van het strottenhoofd.
Twee symmetrische vaalblauwe vlekken.
Was het mogelijk dat iemand….?

Toen hij de doek weer dichtknoopte om de schrale stijve hals van zijn moeder zag hij dat ik keek naar zijn grote duimen. Hij vertrok geen spier.

Ik heb er nog even aan gedacht om te weigeren de papieren te tekenen. Ik had hem kunnen aangeven aan de politie. Later heb ik er nog wel eens spijt van gehad dat ik het niet gedaan heb. Maar was het arme vrouwtje, dat nu eindelijk uit haar lijden verlost was, daarmee gediend geweest? Was het nodig geweest om een smet op haar nagedachtenis te werpen door haar zoon aan te klagen? Ik heb de papieren uit de tas genomen en heb getekend. Doodsoorzaak: Maagcarcinoom. Mijn geweten heb ik gesust met de gedachte dat de knoop om de hals mogelijk de vlekken kon hebben veroorzaakt.

Toen ik mij later herinnerde hoe hij bij zijn tweede bezoek aan mijn spreekkamer zo overtuigend had uitgeroepen: "nu is ze zéker dood!" was ik ervan overtuigd dat hij de 'man met de zeis' een beetje had geholpen, omdat het niet aanging dat de familie te vroeg zou komen. Beneden aan de heuvel stond ik even te wachten om het zweet van mijn gezicht te vegen. Plotseling klonk uit het huisje een jammerend gegil. Het gehuil van de klaagvrouwen. Steeds meer stemmen sloten zich daarbij aan. Ze bundelden zich tot een oorverdovend janken en schreeuwen. Als het even ophield werden om de beurt de goede kwaliteiten van de overledene omgeroepen, waarop telkens weer een luid gejammer losbarstte.
De ceremonie kon eindelijk doorgaan.

De eer was gered…….