GEDICHTEN

De Gaai

 

Op een morgen in de winter
Kwam een gaai de woning in.
Deed meteen al of hij thuis was
Had het blijkbaar naar zijn zin.

 

Gaaien zijn heel lieve wezens
en voor kind'ren groot plezier
Want het zijn heel tamme vogels,
Tammer vaak nog dan een dier.

 

Eerst zat hij wat op de schoorsteen
Op de leuning van een stoel
Op de kast en op de deuren
Hij probeerde een hele boel.

 

Later vloog hij door de kamer
Zoals een gaai nu eenmaal doet
Maar dat hij op de tafel poepte,
Kijk, dat was beslist niet goed.

 

's Middags vloog hij naar de school toe,
Haalde daar de kindren af
En dan liepen ze heel vrolijk
Achter de gaai aan op een draf.

 

Steeds keek hij toe bij 't spelen
Soms ook sprong hij van de grond
Zo maar op hun schouder en keek
Met kralenoogjes rond.

 

Een wijze buurman gaf de raad:
'Luister kindren wat ik zeg,
Een gaai moet je de vleugels korten
Anders vliegt hij in 't voorjaar weg.'

 

We knipten toen zijn lange veren,
Hij kwam niet meer van de grond.
Hij huppelde en fladderde
En sprong onwennig in het rond.

 

Toen 't voorjaar werd trokken de gaaien
Allemaal klepperend door de lucht.
Kwetterden, waaiden, draaiden vrolijk
In hun dolle blije vlucht.

 

De gaai zag al die vriendjes gaan
Hij klapte met zijn stompjes blij
Kraaide, sprong en danste rond,
Maar ach, ze trokken hoog voorbij...

 

Toen liet hij treurig 't kopje hangen
Hij kon niet vliegen, 't deed hem wee.
Hij wilde zo graag met hen trekken
Met stompjes vleugel kon hij niet mee.

 

Ontmoedigd keek hij om zich heen.
En zag toen, niet ver daarvandaan,
De bak, die Oma had vergeten,
Half gevuld met water staan.

 

Hij is toen in die bak gaan liggen
Kop onder water tot hij zonk.
En niemand had kunnen geloven
Dat onze gaai zichzelf verdronk.

 

We vonden hem in de vroege morgen
De schrik van de kinderen was groot.
De poten staken boven water,
Die lieve gaai was wwerklijk dood.

 

Toen hebben wij de gaai begraven,
't Was op een trieste dag met mist.
Voorop liep Sjef, met in de handen
Het lijk in een sigarenkist.

 

Peggy had een kruis gevlochten
Oma volgde op de voet.
Achteraan het lange tuinpad
Stopte toen de droeve stoet.

 

Allen gooiden natte aarde
Op het kistje in het gat.
En ze huilden dikke tranen,
Voor de gaai, die lieve schat.

 

Ieder hield een afscheidsrede
Kort, 't was immers maar een gaai.
Alleen de afscheidsgroet van Oma
Vonden de kindren minder fraai.

 

'Schijtlijster,' zei ze, ''t Ga je goed
Daar komen we goed vanaf.
Geen poepjes op de tafel meer,
Ik huil niet op je graf.'

 

Maar de kinderen hadden groot verdriet
Om 't lieve dode beest.
En dat hij zo verdrinken moest
Verdroot hen nog 't meest.

 

J.H.Frenken