top of page

VERHALEN IN 'VRIJE VOGELS'

De 'bathing party'

Een waar verhaal
 

Het speelde zich af in Liverpool in het voorjaar van 1937.
Wij zouden met een nieuwe bemanning de zomerdienst Liverpool- Doncaster- Amsterdam* gaan vliegen. In de winter werd die dienst niet gevlogen. In de zomer van 1936 was gezagvoerder Moll met zijn bemanning hier gestationeerd geweest.

Moll was een uitstekend vlieger. Hij was in 1934 wereldberoemd geworden als tweede vlieger bij Parmentier op de Uivervlucht naar Melbourne. Moll was een echte 'gentleman'. In alle opzichten.
Door zijn voorkomen, zijn snorretje, zijn beheerste doen en laten, zijn keurige kleiding leek hij de perfecte tropenofficier van de britten.

In de maanden die hij in Engeland had doorgebracht had hij er vele vrienden gemaakt en wel speciaal in de 'betere' kringen, zodat hij ruimschoots geïntroduceerd was in golfclubs, privéclubs en op allerlei interessante parties.
Hij raadde ons aan om uit te kijken met het maken van onze contacten. De omgang met het meer aristocratische deel van de bevolking zou ons het leven in deze zwartberookte haven- en industriestad beslist heel aangenaam kunnen maken.
Maar hoe wilden wij, onbekenden in de vreemde stad, in aanraking komen met de high society.

Moll was meegegaan om ons op de route een beetje wegwijs te maken. Hij had ons tijdens de vlucht van alles verteld over de vliegvelden, de douane, de radiodienst, de weerberichten, landingen bij slecht weer en vele andere aspecten die van belang waren.
Toen wij eenmaal in Liverpool waren liet hij het afweten. Zijn Engelse vrienden hadden voor hem een afscheidspartijtje georganiseerd. Hij verontschuldigde zich, maar hij moest ons alleen laten.
Wij konden hem dat niet kwalijk nemen. Het waren zíjn en niet ónze vrienden.

Toen wij drieën, Alsem de mecano, Muller de marconist en ik tegen de avond uit het hotel kwamen om wat in de stad rond te kijken zagen wij hem, keurig voor het feest in burgerpak gekleed, nog net in een taxi stappen en wegrijden. Als een stel kuikens die door de kip zijn verlaten, zo voelden wij ons.
Wij stonden daar boven op het bordes van het grote luxueuse hotel, tussen de massale zuilen, met vóór ons de monumetale trappen die naar beneden leidden naar de wirwar van het verkeer en de duizende lichten van een stad die volkomen vreemd voor ons was.
Wij waren in uniform. We zouden immers maar even in de omgeving de stad gaan bekijken, en in een grote zeehaven als Liverpool viel een uniform meer of minder niet op.

Lang hebben we op dat grote bordes voor het hotel niet gestaan. Omdat het een beetje was gaan regenen hadden we net besloten om ons met een taxi wat te laten rondrijden, toen onze aandacht werd getrokken door een prachtige, zwarte, lange, glanzende Rolls Royce, die beneden ons midden voor de trappen stopte.
Een chauffeur in donkerblauw uniform met grote blinkende knopen stapte uit en hield in de houding het achterportier open.

Er stapte een sjiek geklede dame uit. Ik schatte haar leeftijd op dertig jaar. Om haar hals was een hele dure pels geslagen, waaraan een lange dikke staart bengelde die tot aan haar knieën reikte. We keken toe hoe ze parmantig de trap opkwam. Tot onze verbazing kwam ze met een brede glimlach recht op ons af. Ze viel meteen met de deur in huis.
'Would you like to join us for a bathing party?' vroeg ze met een aangenaam, wat zangerig stemmetje.
Ik had nog nooit van een bathing party gehoord. Alsem, die niet gauw uit het veld geslagen was, wist nu niet wat hij zeggen moest. Maar Muller dacht: Wat kan ons gebeuren? Hier staan we toch ook maar in de regen.
Hij antwoordde voor ons drieën: 'Yes ma'am, of course we'd enjoy it.'
'Come with me. Meet my husband,' zei ze. Daarop draaide ze zich om en trippelde op haar lakschoentjes de trap af voor ons uit.

Wat aarzelend daalden ook wij de trappen af. Dat laatste wat ze gezegd had omtrent haar 'husband' had Alsem en mij enigszins gerustgesteld, want je kon nooit weten hoe je op een dergelijke manier in het hol van de leeuw terecht kon komen.
Op de achterbank van de fraaie limousine zat een keurige oudere heer met mooie, wat gekrulde, grijswitte haren in een donkerblauw pak met een wit pochetje. Hij leek mij zo tegen de zestig. In mijn ogen een fabrikant of een bankdirecteur of zoiets. Een aristocraat in elk geval. Net wat we hebben moesten volgens Moll.
Hij nodigde ons vriendelijk uit om in te stappen. Alsem ging naast de chauffeur zitten. Muller en ik op de twee opklapstoeltjes achter de voorbank. Bijna geruisloos gleed de grote slee weg van het hotel om zich een weg te zoeken tussen de vele lichten.
'We zitten goed,' zei Jo zachtjes tegen mij.

'You know what happened?' kwam van de achterbank het zangerige eigenwijze stemmetje van onze gastvrouw. 'We passed the hotel on our way to a special party, when we saw you standing there, looking lost, so far from home.
So I said to my husband: "Let's take those marine officers with us. Seamen like water. They will enjoy our bathing party."'
Ik vond dat het een beetje naar whiskey rook achter in de auto.
'My husband is not a marine man,' ging ze verder, 'but he has many connections in the nautical world.'
Daar had je het al. Connecties moest je hebben had Moll gezegd.
'You know who he is?' ging ze verder, doelend op haar man. 'He is the chief designer of the Queen Mary.'
De ontwerper van de Quen Mary, toentertijd het vlaggeschip van de oceaan. De trots van het British Empire.
'Asjemenou!' liet Alsem zich ontvallen. Onze oren flapperden.

Wat had Moll ook weer gezegd? Dat het niet gemakkelijk zou zijn met die betere kringen. En nu, nauwelijks enkele uren later zaten we al zo goed als op schoot bij een van de belangrijkste figuren van Engeland en zijn vrouw, op weg naar een 'very interesting bathing party', waar het wemelde van de connecties.
Teneinde moeilijkheden straks te voorkomen vond ik dat we niet langer voor zeelui moesten doorgaan.
Daarom zei ik: 'Excuse me, ma'am. But we are not seamen. We are members of a Dutch airplanecrew. We are from KLM.' Daarbij wees ik op mijn KLM insigne.
Met haar fijne diamantberingde hand maakte ze een beweging alsof ze dat excuus van de tafel veegde. 'That's the same. No objection,' zei ze. En tot haar man: 'Do you object dear?'
'Of course not darling. Air and sea belong together.'
'And ladies and drinks,' voegde zij er nog aan toe, terwijl ze zachtgiechelend zijn arm drukte.

Wij stopten ergens in een buitenwijk aan een onopvallend huis met een grote tuin ervoor. Daar hadden zich al een vijftig gasten verzameld. De meesten hadden een whiskey- of cocktailglas in de hand.
Onze gastvrouw stelde ons alle drie voor als 'captain'. We werden uitbundig begroet door het al lichtelijk aangeschoten gezelschap.
Na de eerste dronk voelden we ons al aardig thuis. Alleen begreep ik niet waarom zij dit nu een bathing party noemden. Enkele mannen en vrouwen liepen er wel rond in badpak, al of niet bedekt met een kimono of badjas, maar een zwembad was nergens te bekennen.
Toen ik het aan onze gastheer vroeg nam hij ons mee naar de kelder. Hij maakte ons duidelijk dat je voor iedere 'private party' van de politie speciale toestemming moest hebben en daarvoor een reden moest opgeven. Bij een bathing party moest dus ook een bad aanwezig zijn waarin zich minstens één persoon moest bevinden.
Dat zwem(?)bad hadden ze in het sousterrain opgesteld.
De afmetingen van het bad waren blijkbaar in de voorschriften niet vermeld, want het was maar een raar geval wat ze daar in het midden van de grote kelderruimte van waterdicht zeildoek hadden neergezet.

Het had zo'n beetje de vorm van een cylinder van een meter doorsnede en anderhalve meter hoog. Daarin was water gegoten tot ongeveer een meter vanaf de bodem. Het water werd door bijgieten goed warm gehouden. In dat water stond een ijzeren stoel en op die stoel zat in zwembroek een stille bader.
Het was een voor de hele avond gehuurde buitenstaander, die er op deze wijze, ondergedompeld in warm water en voorzien van allerlei lekkernijen en drank, een aardig centje bijverdiende.
Ook elders in de stad op de frequente bathing parties werd de aanwezigheid van deze zwijgzame figuur als 'beroepsbader' zeer op prijs gesteld, vertelde onze ontwerper. Ik vermoed dat het merkwaardige bad tot zijn uitrusting behoorde.
Aan zijn ogen te zien was hij al lang niet nuchter meer. Zijn blik was gericht recht vooruit in de verte die er niet was. Hij zei niets, tegen niemand. Een echte dooie diender.

Naarmate de avond vorderde werd de partij interessanter. Steeds meer dames hadden de toen gebruikelijke hooggesloten badpakken aangetrokken. Voor diegenen die geen badpakken bij zich hadden waren schorten beschikbaar die met snoeren van achteren werden dichtgetrokken, maar zo dat er nog net een streep blote rug of een stuk directoir zichtbaar was.
Er was een strijkje. Er werd gedanst en gezongen. Dames in badpak gingen rond met gevulde glazen, koude en warme hapjes, cake, chocolade, enz. Er was van alles in overvloed.
De tijd ging snel voorbij. Voordat ik het besefte was het over elf uur geworden. Ik vond dat het nu tijd werd om op te breken. Wij waren in uniform en dan moest je toch even oppassen om geen moeilijkheden te krijgen in dergelijk luidruchtig gezelschap, dat blijkbaar van plan was om tot de ochtend door te gaan met feesten. En wij moesten de volgende dag weer om negen uur op Speke Airport zijn voor de terugvlucht naar Amsterdam.

Het was me opgevallen dat Jo Muller zich al een hele tijd niet had vertoond. Jo was een vrolijke komiekeling onder de marconisten. Hij sprak vloeiend Engels. Tijdens een maandenlange intensieve verkering met een meisje in de buitenwijken van Londen had hij bovendien een aardig mondje 'slang' opgedaan, waarmee hij zijn prachtige verhalen nog extra kon kruiden..
Ik was ervan overtuigd dat hij door zijn bekende zin voor humor weer een dankbaar gehoor had gevonden.
Alsem ging mee om hem te zoeken. Alsem dronk nooit alcohol. Hém had ik gevonden terwijl hij met een glas orange juice in de hand een mooi verhaal uit zijn ervaringen bij de KLM stond te vertellen tussen aandachtig luisterende jonge mensen. Zijn linker arm omhoog, de rechter omlaag beschreef hij een 'scherpe bocht'. Op mijn wenk maakte hij zich los uit het groepje en samen liepen we door de vele kamers.
Maar geen Jo Muller. Noch in de kamers beneden waar de jongeren op gramofoonmuziek hosten en dansten. Noch op de bovenverdieping waar de ouderen zitplaatsen hadden gevonden om zich voorzichtig te bezatten. Daar hadden wij hem ook niet hoeven te zoeken, want het bezadigde was niets voor onze marconist die bruiste van het leven.
Dan bleef er niet veel anders over dan het sousterrain bij de eenzame bader. Maar die leek helemaal niet eenzaam, want op de trap kwam ons reeds een uitbundig gelach tegemoet.

Een twintigtal jonge mensen had zich verzameld om het zeildoeken bouwsel. Aan beide zijden daarvan zat een jongedame in badpak. Gierend van de pret reikten ze allerlei lekkernijen over de rand van de weggezakte bader.
Toen wij dichterbij waren gekomen zagen we pas wat er gaande was.
De diep in het water weggezakte figuur was niet de dooie diender maar Jo Muller. Tot aan zijn kin in het water. In zijn onderbroek.
Met een genotvolle grijns om zijn dichtgeknepen ogen kauwde hij op de lekkere hapjes en slokte hij aan de glazen die ze aan zijn mond hielden. Daartussendoor klonken zijn opmerkingen die de algemene hilariteit opwekten.
Het kosste ons grote moeite om hem uit het bad te krijgen. De protesten kwamen niet zozeer van hemzelf als van de troep die hem omringde.

Wij werden netjes aan het hotel afgeleverd in de mooie blinkende Rolls Royce. De zitplaatsen waren nu anders verdeeld.
Naast de deftige chauffeur zat niemand. Jo Muller hing naast mij op zijn klapstoel. In de hoek achter mij zat Alsem naast onze doezelige gastvrouw. De mecano had de dure pels om zijn nek geslagen. Met de dikke staart streek hij Jo Muller langs de oren. Ondanks ons gegiechel had dit geen succes. Jo was in slaap gevallen.
'Hoe hebben jullie het gehad gisteravond?' vroeg Moll de volgende ochtend toen we op het vliegveld kwamen.
Ik probeerde hem meteen schaakmat te zetten door te zeggen: 'Wij zijn uit geweest met de hoofdontwerper van de Queen Mary!'
'Dat lieg je,' zei hij. 'Maak dat de kat wijs!'
We hebben het zo maar gelaten. Het was beter om maar niet alles te vertellen. Maar het was wel degelijk waar...
Nog geen twee dagen later kwam de uitnodiging van onze gastheer voor een zaterdagavond op de golfcourse. Vlak daarna bereikte ons een uitnodiging voor een avond op een van de beroemde 'bowling greens' buiten de stad. Anderen van de 'bathing party' nodigden ons uit voor een picknick in het Lakedistrict, voor barbecues en privé partijtjes.
Ik denk nog vaak terug aan die onvergetelijke weekeinden tijdens die zomer van 1937 in Liverpool.

 

J.H. Frenken, Vrije Vogels 1991

 

*In 1937 werd de luchtlijn veranderd in Liverpool-Manchester- Doncaster-Amsterdam-Berlijn v.v. Ze werd gevlogen met DC 2 en Lockheed 14.

 

bottom of page